Angstige dagen

Door Aoo (bd) Herbert Kuin

(eerder gepubliceerd op https://www.semarang.nl )

De Boeloe gevangenis.

Semarang, oktober 1945. Ik was een jochie van 14 jaar en verdeed mijn tijd met het uithalen van kattenkwaad zoals het jatten van flessen. Af en toe klom ik op de daken om daar de glazen dakpannen te pikken, die ik dan doorverkocht aan de toekang rombengan, de voddenkoopman. Het was immers oorlog, we mochten niet naar school en ik scharrelde dus maar wat rond om mijn zakgeld bij elkaar te verdienen. Mijn ouders wilde ik niet belasten omdat Pa, als nagenoeg onbezoldigd stationschef van Meester-Cornelis, moest werken van de Jap.

Uiteindelijk zocht ik naar werk, want het werd me een beetje te link om nog langer te jatten. De mantripolitie fietste regelmatig door de straten. En als je gepakt werd, was je nog niet jarig! Ik kreeg een baantje bij een Chinese wasserij. Het lag aan het begin van de Kerkstraat en dat was gunstig voor mij want wij woonden in dezelfde straat. Het was maar een paar minuten lopen naar de wasserij. De baas was een oude, zwijgzame Chinees die de hele dag keihard werkte. Kennelijk viel ik bij hem in de smaak, want ik kreeg een koosnaam. Hij noemde me ‘Holl’ Sjoww’ dat zoiets betekent als Hollandse jongen. Zijn zoon daarentegen had een vlotte babbel en stond achter de balie om de vuile was in ontvangst te nemen. Verder was er ene Amat, een Indonesische jongen, die samen met mij de voorloper van een centrifuge moesten bedienen, om het natte goed strijkdroog te centrifugeren.

Aan de overkant van de straat was een kleine winkelcentrum en in een van de toko’s werkte een Chinees meisje waarop de zoon van de wasbaas Nanken verliefd was. Op een dag was ‘meisjelief’ – haar naam is me ontschoten – verdwenen. Paniek in de gelederen! Blijkbaar was ze met de noorderzon vertrokken zonder een bericht achter te laten. Hij stuurde ons (Amat en mij) erop uit om uit te vissen waar ze was. Welnu, dat was geen probleem. We stapten gewoon de toko binnen en vroegen aan de vrouw, die achter de balie stond, waar het meisje gebleven was. Eerst wilde ze het niet vertellen, maar toen we zeiden dat we door de overkant waren gestuurd, gaf ze ons het adres mee. Het bleek een desa in de buurt van Semarang te zijn. We hebben de kostbare gegevens aan hem overhandigd waarop hij ons een fooi gaf.

Twee dagen later vroeg hij of we mee wilden naar Semarang. Hij vond het leuk als we hem gezelschap zouden houden. Ik zei dat hij toch eerst toestemming van mijn ouders moest hebben. Enfin, toen hij toestemming vroeg en kreeg, togen we gedrieen op pad. We kochten kaartjes op Station Meester-Cornelis, stapten in en de trein vertrok even later richting Semarang. In Semarang werden we opgewacht door ‘meisjelief’ die ons per dokar naar haar huis begeleidde. Daar maakten we kennis met de hele Chinese familie. Pa, Ma en nog drie kinderen. We werden onthaald op een heerlijke maaltijd en na afloop werd ons de slaapruimte gewezen. Het was de kamer van ‘meisjelief’. In een hoek stond een bed – geen baleh-baleh maar een echt bed – met daaroverheen de klamboe. Ergens tegen de muur stond een soort dressoir met een spiegel en twee stoelen. Meer stond er niet. Wij kregen de ‘weelde’ van een tikar en een hoofdkussen en daar moesten we het maar mee doen. Het huis was ook niet overdadig groot maar ruim voldoende om het gezin te herbergen. Pa en Ma hadden een eigen kamer en een andere kamer was bestemd voor de drie andere broers en zuster. Natuurlijk was er een dapoer bij, een mandikamer en de goedang. Aan de voorkant bevond zich de veranda, met een groene, houten omheining, waarvan de verf al begon af te bladderen. In het midden was een opening waar een houten trap tegenaan stond, die naar een grindpad leidde en zo aansloot op de grote weg. De grote weg was niet meer dan een breed pad, geplaveid met klei. Dit alles werd afgebakend door een grote tuin.

Toen we klaar waren met het inrichten van ons tampatje, dat alleen maar het uitrollen van de tikar was, werden we door de heer des huizes uitgenodigd om op de veranda te komen. Hij gaf ons uitleg over de omgeving. Toen hij daarmee klaar was werden de dominokaarten tevoorschijn gehaald en werd er een spelletje pentol (domino) gespeeld. Het werd als snel donker, dus werden de lampoe pelita aangestoken. Ook de obat njamoek kwam tevoorschijn, werd op een fles gelegd en aangestoken. Rond een uur of tien hielden we het voor gezien in doken de tikar op. Ondanks de dunne tikar op de harde vloer heb ik toch nog redelijk geslapen.

Het was nog vrij vroeg in de morgen, toen ik wakker werd door de bedoek. De bedoek is een grote zware trom die precies om vijf uur wordt geroerd, om de islamieten op te roepen voor het gebed. Nou ja, dan maar opstaan want slapen kon ik toch niet meer. Snel naar de mandikamer om me op te frissen. Gelukkig sliep de hele meute nog, of deed alsof, dus kon ik op m’n dooie gemak mandieen. Het gaf me trouwens de gelegenheid om de omgeving in alle rust te bekijken. Een grote kebon met achter in een paar klapperbomen en veel pisangbomen. Enkele pisangbomen droegen al bijna gele tandoeks (trossen) Ook lagen bij de klapperbomen een aantal klappers op de grond. Het huis was gebouwd van steen met genteng (dakpannen) op het dak. Dus zo arm waren ze ook weer niet. Rond een uur of zeven werd ik door Ma naar binnen geroepen voor de sarapan (ontbijt). Dat bestond uit koppie toebroek, ketan item, sinkong reboes en nasi. Kortom, het was een lekker ontbijt.

Rond een uur of tien, iedereen was klaar met sarapan, zaten we weer op de veranda genoeglijk een kaartje pentol te spelen, toen in de verte de tong-tong werd geroerd. Tussendoor hoorde je het snerpende geroep: ‘bersiap!’. Eigenlijk betekent het niets anders als: Houdt je gereed!. Even later stroomde de tuin vol met mannen, gewapend met goloks (kapmessen) en bamboe roentjings. Onze vrolijke stemming sloeg in een keer om bij het zien van al die vertrokken, grimmige gezichten. Dat voorspelde niet veel goeds! Onze gastheer trad de leider tegemoet en vroeg hem: ‘Maoe apa?’ (Wat is de bedoeling) De leider zei: ‘Ada orang belanda disini!’ Dat er hier een blanda was en wees met zijn bamboe roentjing naar mij, ‘dia haroes ikoet!’. Ze hadden de opdracht alle belanda’s te arresteren! Toen zei onze gastheer: ‘Belanda?, ik denk dat je je vergist!’ Maar ondanks alle protesten moest ik mee met de meute! Ik heb toen wat kleding en de tikar meegenomen en ben met ze meegegaan. Tussen hen in werd ik aangespoord om sneller te lopen, gevolgd door een prik met de bamboe roentjing. We werden in een vrachtwagen geladen en afgevoerd naar een politiepost in het centrum van Semarang. Daar hebben we een tijd gewacht en uiteindelijk werden we weer op vrachtwagens geladen en ergens naar toe gebracht. Later bleek het de Boeloe-gevangenis te zijn. Bij de poort werden we uit de vrachtwagens gejaagd en zo de gevangenis in gedirigeerd. Onze groep werd de eerste cel links na de tweede muur, letterlijk ingeschopt. De overigen werden verdeeld over de overgebleven leegstaande cellen. Daar zaten we dan! Met ongeveer vijftig man in een cel gepropt, die bestemd was voor twintig man! Maar we leefden nog!

De eerste dag verliep zonder noemenswaardige incidenten. Alleen het eten liet op zich wachten. De tweede dag idem dito! Geen eten alleen de kiepelton (vervangende toilet) raakte aardig vol en twee man werden aangewezen om de stinkton te ledigen. We lagen zij aan zij op een tikar naar het plafond te staren. Je had toch niets te doen, dus keek je alleen maar naar de tjitjaks hoe die de laller (vliegen) en njamoeks (muskieten) vingen. Het was een zeer gemêleerd gezelschap van Indo’s en totoks. Wel mannen allemaal!

De derde en vierde dag verliepen bijna hetzelfde als de voorgaande dagen. Op de vijfde dag werden ‘s morgens plotseling alle blinden gesloten. De reden werd ons uiteraard niet verteld! Maar toch voelden we intuïtief dat er iets stond te gebeuren! Even later hoorden we geweerschoten, geschreeuw en gekreun door elkaar heen. Daarbovenuit klonk een luide stem die zei:’Esok londoh kabeh!’ Of iets wat daarop leek. Eerst begreep ik niet wat er gezegd werd, maar iemand in de cel vertaalde: ‘Morgen alle Hollanders!’. Iedereen wist wat dat betekende. Het werd doodstil in de cel. Nadat het tumult buiten was verstomd, begon het keihard te regenen. Een echte tropische regenbui! Door het gekletter van de regen heen hoorden we opnieuw schieten en een zwaar gebonk bij de poort. Omdat de blinden voor de getraliede ramen waren gesloten, hadden we geen idee wat er buiten gebeurde. Het enige wat we hoorden waren bevelen in het Japans. Ongeveer een half uur later, het kon ook langer zijn geweest, werden de blinden opengegooid en zagen we een Japanner met een bajonet op het geweer. Hij stak zijn geweer door de tralies heen: ‘Oranda kah?’ was het enige dat hij zei. En als uit een mond riepen we: ‘Jaahaaa!’ Hij knikte een paar keer en liep toen naar de celdeur, schoot een paar keer op het slot, trapte de deur open en stapte de cel binnen. In gebroken Maleis zei hij dat we vrij waren, maar dat we nog niet de gevangenis uit mochten, omdat nog niet veilig was. Wat waren we blij! We hebben elkaar omhelsd en een rondedans gemaakt. Er werd luidkeels geschreeuwd: ‘We zijn vrij, vrij, vrij, vrij!’ Intussen liep de Jap verder naar het middenplein, waar meer soldaten bijeen waren.

Even later kwam een andere Jap en hij vroeg vrijwilligers voor de keuken. Er moest rijst gekookt worden en eten klaargemaakt. Hij hoefde de vraag niet te herhalen. Er hebben zich wel twintig vrijwilligers gemeld, maar hij had er maar zes nodig. Na ongeveer een week geen eten te hebben gehad, waren we wat blij om eten te kunnen bereiden. Wat een heerlijk gevoel was dat om weer vrij te zijn! Een treurige gebeurtenis echter, is diep in mijn geheugen gegrift. Terwijl we in onze cel met open deur zaten te filosoferen, kwamen een aantal Japanse soldaten met brancards door de poort en liepen naar de linkervleugel. Even later kwamen ze terug met op elke brancard een gesneuvelde Japanner. De peloppors hadden alle Japanners vermoord!

Bulu gevangenis te Semarang, dode Japanners

Dat waren de eerste schoten geweest die wij gehoord hadden! Het verhaal deed de ronde dat een Japanner wist te ontsnappen en versterking had gehaald. Maar de ware toedracht hebben we in de gevangenis nooit gehoord. De stemming was daarna behoorlijk bedrukt, vooral toen een gesneuvelde Japanner met gestrekte arm op de brancard naar buiten werd gedragen met in zijn linkerhand nog een sok vastgeklemd. Ik zie de hand nog heen en weer zwiepen! Ongeveer half zes kwam de ploeg met eten langs. Twee man droegen met een bamboestok aan de schouder, een houten ton met dampende rijst en een andere man had een emmer met ikan teri dat tot kleine balletjes was gekneed en ge-goreng. Luidkeels riep hij: ‘Ajo lui, ister makan van orang Djepang!’ Alles werd eerlijk verdeeld en iedereen kwam aan z’n trekken. Oh, wat een goddelijke maaltijd was dat. Na een week zonder eten was dit voor ons een vorstelijke maaltijd! Na de maaltijd werd nog wat nagekeuveld en natuurlijk ging het gesprek over de gesneuvelde Japanners. Daarna vond men het welletjes en doken de meesten op de tikar om morgenochtend weer vroeg op te staan, want als we een beetje geluk hadden mochten we naar huis. Ik kon de slaap maar niet vatten want voor mij begonnen de problemen pas echt.

Allerlei gedachten spookten door mijn hoofd. Hoe kom ik aan geld om met de trein naar huis te gaan? Waar kan ik de nacht doorbrengen? Naar de Chinese familie kon ik niet terug, want ik wist niet waar ze woonden. Waarschijnlijk had mijn buurman het in de gaten, want opeens zei hij: ‘He tjie, waarom pieker je zo!’ Ik vertelde hem mijn probleem waarop hij zei: ‘Ah, je hoeft niet bang te zijn, je gaat met mij mee. Ik regel wel iets’. Ik kon hem wel om de hals vliegen, zo blij was ik! Eindelijk viel ik dan in slaap.

De volgende morgen was ik om zes uur alweer wakker en ging me lekker mandiën. Hadden we ook al een paar dagen niet meer kunnen doen. In de loop van de ochtend kregen we toestemming om de gevangenis te verlaten. Buiten de gevangenis zagen we her en der lijken liggen. Het was toch beklemmend als je al die lichamen in het water zag liggen! Pim nam me op sleeptouw en samen gingen we naar Tjandi waar hij met zijn familie woonde. We werden uitgebreid in de watten gelegd door zijn moeder en na het middageten moest hij even weg om iets te regelen. Toen hij terugkwam ging hij naast me op bed zitten en duwde me een papiertje in de hand. Ik moest het maar eerst goed lezen en daarna bewaren, want het was terlaloe penting! (zeer belangrijk). Het was getypt in het Maleis door een Javaanse ambtenaar en daarin werd verklaard, dat ik Agoes heette en dat ik dringend op familiebezoek naar Djakarta moest, omdat oma ernstig ziek was. Was getekend onleesbaar, maar wat wel belangrijk was was een rode, opvallende stempel met opschrift <Djawatan> en nog wat. Pim drukte me op m’n hart, dat ik vooral die naam moest onthouden! De volgende morgen bracht Pim me naar het station en bij het afscheid stopte hij me nog wat geld toe. Van het geld kocht ik een kaartje en hield nog wat over om onderweg nog iets te kunnen eten en drinken. 

Helaas ben ik zijn achternaam vergeten, om zodoende mijn dank te kunnen betuigen! Een kwartier later dan gepland, vertrok de trein. Nagezwaaid door Pim, tjoekte de trein het station uit. Dat was het laatste beeld dat ik van Pim heb. Ik heb hem nooit meer ontmoet! Hoewel de trein goed was bezet, had ik me toch een plekje aan het raam kunnen bemachtigen. In Cheribon had ik een angstig moment. De trein stopte en werd gecontroleerd door de BKR (voorganger van de TRI en daarna TNI). De man vroeg om mijn soerat keterangan waarop ik hem het briefje overhandigde. Hij las het briefje, keek mij doordringend aan en vroeg: ‘Nama apa?’ Ik gaf de naam op die op het papiertje stond. Gelukkig! Verder geen vragen gesteld. Pffff, ik blij, dat hij verder niets vroeg. Door het raam kijkend, zag ik dat er een Indo, die nogal lichter van kleur was dan ik, uit de trein werd gehaald en werd afgevoerd. Een halfuur later klonk het fluitje en werd het sein voor vertrek gegeven. Eindelijk kwamen we dan in Meester-Cornelis aan. Terwijl ik langs de controle liep met mijn barang onder mijn linkerarm, voelde ik dat er iemand daaraan trok en voordat ik kon realiseren wat er gaande was, werd de tikar met mijn schamele bezittingen geroofd! Soedah, laat maar! Ik liep naar huis en voor het huis aangekomen, wist ik niet wat ik zag! Het was verlaten en overal door het hele huis, lag kapok uit de matrassen, die waren opengesneden. Het huis was verder leeg! Op een luifel boven de veranda had ik een windbuks bewaard maar die was ook verdwenen. Ja, daar sta je dan! Familie nergens te vinden, de hele straat uitgestorven. Het enige wat ik kon doen, was naar de wasserij gaan en daar om informatie vragen. 

Bij de wasserij keken ze alsof ze een geest zagen. Ze hadden me namelijk dood gewaand. Maar gelukkig wisten ze mij te vertellen, dat mijn familie met nog meer Indischen werden geëvacueerd naar het Tiende Bat. Mijn vrees dat de familie was uitgemoord bleek ongegrond. Maar ja, daar sta je dan. Geen geld, bijna geen kleren, alleen maar het vege lijf! Gelukkig mocht ik bij de wasserij slapen en een dag later, trof ik een Indisch meisje die bij ons in de straat had gewoond en zij wist mij te vertellen, dat mijn ouders geëvacueerd waren naar het Tiende Bat. Ik vroeg haar of ze mijn ouders wilde waarschuwen, dat ik nog leefde. Een dag later, net klaar met het centrifugeren. zat ik op de drempel van de voordeur een beetje duf voor me uit te staren, toen er met grote vaart een groen gespoten Buick voorbij reed, richting Kampoeng Melajoe. Door de grote snelheid waarmee het voertuig voorbij reed was ik even uit mijn mijmering ontwaakt maar ik schonk er verder geen aandacht aan. Ongeveer een kwartier later kwam de auto terug, stopte voor de wasserij en in allerijl sprong er een soldaat uit! Hij vroeg of ik Herbert Kuin was en op mijn bevestigende antwoord, trok hij me mee naar de auto en nauwelijks was ik gezeten, of we gingen er in volle vaart vandoor. Bij het treinviaduct van Meester-Cornelis werden we nog beschoten, maar als reactie gaf de chauffeur nog meer gas. Een half uurtje later, stopte hij voor een groot herenhuis in de buurt van het Tiende Bat. en leverde men mij daar af met de boodschap dat mijn ouders op mij zaten te wachten. Ze wezen me de toegang tot het huis. Enkele ogenblikken later kon ik mijn familie weer in de armen sluiten. Mijn hachelijke avontuur was voorbij. Zonder kleerscheuren!

Bron: S.I.F.A.