Historie Waterloo

Een monument te Quatre Bras

Op 21 september 1990 stonden in België, nabij het kruispunt ‘Les Quatre Bras” in de gemeente Genappe, de standaarden van het Regiment Huzaren van Sytzama, het Regiment Huzaren Prins Alexander en het Regiment Huzaren van Boreel, aangetreden bij de onthulling van het monument, ter ere van de gevallenen van de Nederlandse cavalerie in de veldslagen bij Quatre Bras en Waterloo, op 16 en 18 juni 1815. Hoewel deze veldslagen meer dan honderd jaar lang als nationale feestdag zijn herdacht, was van het oprichten van een monument voor de Nederlandse gevallenen tot dusver nooit iets gekomen. De Stichting Cavaleriemonument Quatre Bras en Waterloo heeft kans gezien om 175 jaar na dato de vele hindernissen, die de oprichting van zo’n monument in de weg stonden, met succes te nemen. Ook de financiering van het monument en alles wat daarbij te pas kwam, is zonder enige rijksbijdrage tot stand gekomen.

Het monument werd onthuld door de Wapenoudste der Nederlandse Cavalerie in het bijzijn van de drie regimentscommandanten. Onder de genodigden bevond zich ook de Doyen der Belgische Cavalerie en de commandanten der vier Belgische regimenten, die van Nederlandse cavalerieregimenten die aan deze veldslagen deelnamen, afstammen.

Het monument heeft de vorm van een zwaard, doch het verbeeldt ook de Franse opmars van zuid naar noord. Bij Quatre Bras wordt hierin een wig geslagen en bij Waterloo breekt de punt af.

De commandant van het Regiment Huzaren van Boreel is tevens de voorzitter van deze stichting. Hij organiseert jaarlijks een kranslegging omstreeks 16 juni.

In 2005 was een standaardgroep aanwezig, ingetreden waren de standaarden van NL en BE regimenten die ook in 1815 deelnamen aan de slag bij Quatre Bras en Waterloo.

Regiment 1e Jagers te Paard (Hussaren no 6)
Regiment Huzaren van Boreel (Hussaren no 6)
Regiment Huzaren van Sytsama (Karabijniers no 3)
Regiment Huzaren van Prins Alexander (Ligte Dragonders no 5)
Regiment 2/4 Lansiers (Ligte Dragonders no 4)
Regiment 1/3 Lansiers (Ligte Dragonders no 5)
Regiment 2/4 Chasseurs a Cheval (Hussaren no 8)

De wapenoudsten der NL Cavalerie Luitenant-Generaal R.P.F. Seijn en
Wapenoudste der BE Cavalerie Luitenant-Generaal Ir. H. Jennart leggen de kransen

BE/NL Ruiterdetachement


NL Erepeloton van 42 BVE

BE Erepeloton van 2/4 Jagers te Paard

 

Samenvatting van de belangrijkste feiten rond het optreden van de Nederlandse cavalerie in de veldslagen bij Quatre Bras en Waterloo

De oprichting

Toen in 1813 een einde was gekomen aan de Franse overheersing, gaf Willem 1 als Souverein Vorst over de voormalige Verenigde Nederlanden opdracht aan Willem Boreel en aan Johannes Baron van Sytzama om beide een regiment cavalerie op te richten. Boreel en Sytzama hadden als kapitein compagniescommandant bij de Gardes Dragonders onder Willem 1, toen nog Prins van Oranje, gediend en met hem de veldtocht tegen Frankrijk in 1893 1894 meegemaakt. Na de verdrijving van de stadhouder hadden beide officieren ontslag genomen. Boreel richtte te Haarlem een regiment lichte cavalerie (huzaren) op en Sytzama te Leeuwarden een regiment zware cavalerie (karabiniers). Te zelfder tijd had de Hertog van Saksen Weimar, bevelhebber der gealliëerde troepen in de voormalige Oostenrijkse Nederlanden, opdracht gegeven aan Karel Albert Graaf van der Burch om een regiment lichte cavalerie op te richten. In Mechelen en Brussel formeerde deze een regiment Cheveau Légers, waarvan het huidige regiment Huzaren Prins Alexander afstamt. In tegenstelling tot de beide Noordnederlandse regimenten, voegden zich bij dit regiment veel krijgservaren ruiters die in Oostenrijkse en in Franse dienst al vele veldtochten hadden meegemaakt Op 15 februari .1815 werden door een besluit van het Congres van Wenen de voormalige Oostenrijkse Nederlanden en de voormalige Verenigde Nederlanden tot één Koninkrijk verenigd. Het leger werd toen gereorganiseerd en de Cavaleriedivisie onder Luitenant generaal Collaert zag er vanaf mei 1815 als volgt uit: de Brigade Zware Cavalerie onder Generaal majoor Trip van Zoudtland met het Regiment Karabiniers No. 1 (Noordnederlands, geen afstamming), het ~ment Karabiniers No. 2 (Zuidnederlands, nu 3me Régiment de Lanciers) en het Regiment Karabiniers No. 3 (Noordnederlands, nu Regiment Huzaren van Sytzama); de Eerste Brigade Ligte Cavalerie onder Generaal majoor Baron de Ghigny met het Regiment Ligte Dragonders No. 4 (Noordnederlands, nu 2e Regiment Lanciers) en het Regiment Hussaren No. 8 (Zuidnederlands, nu 2e Regiment Jagers te Paard); de Tweede Brigade Ligte Cavalerie onder Generaal majoor Baron van Merien met het Regiment Ligte Dragonders No 5. (Zuidnederlands, nu Regiment Huzaren Prins Alexander en 1 er Régiment de Lanciers) en het Regiment Hussaren No. 6 (Noordnederlands, nu Regiment Huzaren van Boreel). N.B. Het Regiment Hussaren No. 7, dat bestemd was voor dienst in Oost Indië en het pas opgerichte Regiment Karabiniers Landmilitie (nu Regiment Huzaren Prins van Oranje), waren nog onvoldoende geoefend en werden ingedeeld bij de Reserve afdeling van Prins Frederik.

In maart 1815 was Napoleon teruggekeerd van Elba en de geallieerden (Rusland, Engeland, Oostenrijk, Pruisen en Nederland) maakten zich gereed voor de slag. In de zuidelijke Nederlanden waren de Engelse troepen, zijnde zes infanterie de cavaleriedivisie en de Brunswijkse afdeling, gelegerd tussen Brussel en Doornik. De vier Pruisische korpsen lagen in de omgeving van Charleroi Namen Dinant en Luik. De Nederlandse troepen waren globaal in de lijn Maubeuge Brussel gelegerd van zuid naar noord: de Cavaleriedivisie zuidoost van Mons, de 3e Divisie van Luitenant generaal Baron Chassé bij Fayt, de 2e Divisie van Luitenant generaal Baron de Perponcher in de omgeving van Nivelles en de Reserve afdeling van Prins Frederik bij Halle.

Quatre Bras

Op 15 juni 1815 overschreden Napoleons troepen de grens en vermeesterden voor het middaguur overgangen over de Sambre bij Thuin, Marchienne, Charleroi en Chátelet op de Pruisische voorposten. De Franse hoofdmacht sloeg na Charleroi rechtsaf richting Gembloux om met de Pruisen af te rekenen. De linker colonne bestaande uit twee legerkorpsen met ieder een divisie lichte cavalerie en een korps zware cavalerie bestaande uit twee divisies, in totaal ongeveer 45000 man sterk, was pas die middag onder bevel gesteld van Maarschalk Ney. Deze had opdracht om op te marcheren naar Brussel, om zodoende een wig te drijven tussen de Pruisische en de Engels Nederlandse troepen. Bij Gosselies hielden Pruisische voorposten echter stand tot het eind van de middag en omdat zijn troepen al sinds half drie ‘s nachts op mars waren, besloot Ney toen maar om in bivak te gaan. Hij stuurde alleen de garde cavaleriedivisie van Piré, twee regimenten jagers te paard en twee regimenten lanciers, te zamen 1800 oorlogservaren ruiters, vooruit om Ouatre Bras te bezetten. In dit voornemen werd Piré echter gehinderd door de Nassause brigade van de Nederlandse 2e Divisie van Luitenant generaal De Perponcher. De chef staf van de Nederlandse troepen, Generaal majoor De Constant Rebecque, had tegen de orders van Wellington in en bij afwezigheid van de Prins van Oranje, die op last van Wellington in Brussel op het bal van de hertogin van Richmond was, deze brigade rondom Quatre Bras gelegerd. De 23 jaar oude Prins van Saksen Weimar, commandant van het Regiment Oranje-Nassau, had ‘s middags het commando over de Nassause brigade overgenomen, omdat de brigadecommandant gewond was door een trap van zijn paard. Deze brigade was de enige troepenmacht die zich tussen de legerkorpsen van Ney en Brussel bevond. De brigade Van Bijlandt van dezelfde divisie lag in Nivelles, tien km westelijk, de andere Nederlandse troepen nog meer naar het westen. De Fransen kwamen die dag niet verder dan Frasnes, vier km zuid van Quatre-Bras, waar zij werden gestopt door de voorposten van de Nassause brigade. De volgende morgen om half zeven arriveerde de Prins van Oranje; hij liet ook de brigade Van Bijlandt en de brigade Van Merlen naar Quatre Bras komen. Omstreeks tien uur inspecteerde Wellington de opstellingen, keurde deze goed en zond een bevel aan de infanteriedivisie van Picton, die vanuit Brussel naar Mont Saint-Jean was gemarcheerd, om door te marcheren naar Quatre Bras. Rond het middaguur was de divisie De Perponcher compleet aanwezig.

Pas om 14.00 uur ging Ney tot de aanval over met twee infanteriedivisies en de cavalerie van Piré; een uur later arriveerde ook nog de divisie van Prins Jéróme Bonaparte. Omdat de divisie De Perponcher slechts over twee batterijen artillerie beschikte en in het geheel niet over cavalerie, werd de toestand nu kritiek. Toen als eerste van de brigade Van Merlen de Huzaren van Boreel arriveerden, na een lange mars in de drukkende hitte, kregen deze bevel om onmiddellijk te chargeren op de Franse infanterie, om zo de terugtrekkende eigen bataljons te beschermen. Overvallen door dit bevel en zonder gelegenheid om eerst de situatie te verkennen formeerden zij zich overhaast voor de aanval. Voordat zij de Franse infanterie konden bereiken, werden zij overvallen door de cavalerie van Piré. Het Regiment werd uiteengeslagen, kon zich pas ten noorden van Quatre Bras weer verzamelen en nam die dag verder niet meer aan de strijd deel. Nu waren de Ligte Dragonders No. 5 aan de beurt. In tegenstelling tot de onervaren huzaren, waren zij krijgservaren ruiters die zonder aarzelen de strijd aangingen met hun vroegere kameraden. Een eskadron onder commando van Majoor Graaf de Looz Corswarem snelde het danig in het nauw gebrachte 5e Bataljon Nationale Militie van Luitenant kolonel Westenberg te hulp. Luitenant-kolonel De Merckx chargeerde met de beide andere eskadrons op de Franse cavalerie. Aanvankelijk hadden zij succes tegen de uit elkaar geraakte eskadrons van Piré, maar tegen die overmacht waren ook zij uiteindelijk niet opgewassen. In gesloten formatie trokken beide eskadrons terug op de viersprong, waar zij echter door het 92e Bataljon Highlanders onder vuur werden genomen, wat het toch al grote aantal doden en gewonden met nog een veertigtal vermeerderde. Deze noodlottige vergissing werd veroorzaakt doordat de groene dragonderuniformen sprekend leken op die van de franse jagers te paard. De verliezen waren zwaar, waaronder de regimentscommandant, die op drie plaatsen gewond, bewusteloos onder zijn dode paard lag en met veel moeite in veiligheid werd gebracht. Het Regiment bleef die dag verder in reserve. Door dit alles had Wellington echter wel de broodnodige tijdwinst gekregen om Pictons divisie langs de Namense weg in stelling te brengen. De strijd bleef heen en weer golven totdat omstreeks zes uur ook de Engelse divisie Alten arriveerde en de balans ten gunste van Wellington begon door te slaan. De verpletterende overmacht van Ney kwam niet tot gelding, omdat Napoleon diens tweede korps naar Ligny dirigeerde, waar zijn hoofdmacht in gevecht was met de Pruisen. Verder zette Ney het Korps Kurassiers van Kellermann, twee divisies met bijna vierduizend man, zo overhaast en ongeorganiseerd in, dat deze maar met één brigade chargeerde, niet gesteund door de cavalerie van Piré en evenmin door de eigen infanterie. Toen de duisternis viel, was Wellington heer en meester van het slagveld. Beide partijen verloren die dag tussen de vier en vijf duizend man aan doden en gewonden.

Waterloo

Twee dagen later bij Waterloo stond de gehele Nederlandse cavaleriedivisie bij Mont St Jean tussen de wegen die vandaar naar Nivelles en naar Charleroi leidden. De slag begon pas na elf uur met inleidende gevechten om de versterkte kasteelboerderij Hougoumont, rechts voor het centrum van de gealliëerde opstellingen. Door voortdurende versterkingen van Engelse zijde, bleef de strijd om deze sterke voorpost echter de gehele dag duren. Tussen vier en vijf uur werd de brigade De Ghigny ingezet op de linkervleugel bij het terugslaan van het Korps d’Erlon en was daar getuige van het debácle van de Union Brigade en de Guards Brigade, die door het dolle heen op de vijandelijke chargeerden en en zich vervolgens de pas afgesneden zagen door verse cavalerie, wat hun binnen een half uur de helft van hun sterkte kostte.

Omstreeks half vijf zette het voorste Pruisische korps de aanval in op de Franse achterflank. Napoleon was gedwongen daar een heel korps en een cavaleriedivisie tegenover te zetten, zodat voor de aanval op het centrum slechts de infanteriekorpsen van Reille en van d’Erlon beschikbaar bleven. De Nederlandse cavaleriedivisie vormde een stoplijn, teneinde de bijna tienduizend man voornamenlijk zware Franse cavalerie, die twee uur lang over het plateau van Mont St Jean rondreden alsof het van hun was, verder doordringen te beletten en de brigades deden incidenteel kleine tegenaanvallen. De Franse cavalerie had echter geen kans tegen de Engelse, Hannoveraanse en Nederlandse infanterie, die hun carré’s gesloten hielden en hen geen manoeuvreruimte lieten. Zij werd ook niet gevolgd door eigen infanterie, zodat zij omstreeks zes uur de strijd ontmoedigd opgaf.
Pas daarna zette Ney alle beschikbare infanterie in, gesteund door het Korps Kurassiers van Kellermann en veroverde daarmee het bolwerk La Haye Sainte. Vervolgens kregen de Fransen via de nabijgelegen zandgroeve vaste voet op de hoogterand, waar de Britse verdediging begon te wankelen. Gelijkertijd werd de Nassause brigade van de Nederlandse divisie De Perponcher aangevallen door het volgende Pruisische korps en zag zich daardoor genoodzaakt een stuk terug te trekken, totdat dit misverstand uit de weg geruimd was.
Door de komst van het tweede Pruisische korps kon de brigade De Ghigny weer achter het centrum terug genomen worden. Na het sneuvelen van Generaal¬majoor Van Merlen had Boreel zich met zijn huzaren bij een Engelse brigade gevoegd waarin hij niet gevolgd werd door Majoor De Looz, die na Quatre Bras de Ligte Dragonders No. 5 commandeerde. Deze sloot zich nu met zijn regiment aan bij de brigade De Ghigny.
De laatste Franse aanval met vijf bataljons van de Garde, Ney te voet voorop, tussen La Haye Sainte en Hougoumont door, liep vast op verbeten weerstand van de Britse brigades Adam, Maitland (garde) en Colin Halkett en werd daarna teruggeslagen door de brigade Detmers van de Nederlandse divisie Chassé, die daarachter in reserve stond.
De gehele Nederlandse cavaleriedivisie was daarna, tot het invallen van de duisternis, betrokken bij de vervolging van de Franse terugtocht. Een merkwaardige bijzonderheid is, dat de Reserve afdeling onder commando van Prins Frederik, die op 15 km afstand van Waterloo bij Halte in volledige staat van paraatheid stond en ruimschoots voorzien was van lichte cavalerie, de gehele dag in onwetendheid bleef over wat er bij Waterloo gebeurde.
De Cavaleriedivisie die op 15 juni een sterkte had van 3400 man, telde na de slag 173 doden, 814 gewonden en 450 vermisten. Van de laatste categorie zal het gros wel gesneuveld zijn, zelfs het lichaam van Generaal majoor Van Merlen is na de slag nooit meer teruggevonden. Een deel van de vermisten, dat krijgsgevangen was gemaakt of gewoon van de eigen troepen was afgesneden of verdwaald, keerde in de volgende weken weer bij hun regiment terug, zodat uiteindelijk de verliezen werden vastgesteld op 1235 man, 36% van de sterkte.
Van de paarden werden er ongeveer 900 gedood, 500 vermist en 300 gewond, in totaal ongeveer de helft der sterkte. De brigade Van Merlen, waarvan de commandant gesneuveld was en de chef staf zwaar gewond, werd mede gezien de boven genoemde verliezen, verdeeld over de beide andere brigades: de Hussaren No. 6 werden toegevoegd aan de brigade Trip en de Ligte Dragonders No. 5 bleven bij de brigade De Ghigny. Ook de Cavaleriedivisie, waarvan de commandant eveneens was gesneuveld, hield op te bestaan, want de brigade De Ghigny werd toegevoegd aan de 2e Afdeling onder Prins Frederik, die noord west Frankrijk bezette. De brigade Trip marcheerde met de 1e Afdeling naar Parijs, waar maandenlang de ergste ontbering werd geleden. Pas in december keerden de regimenten terug binnen de landsgrenzen. Zij werden gelegerd in Zuidnederlandse garnizoenen.

Officier van het Regiment Ligte Dragonders No. 5 1815