4e Regiment Huzaren 1905-1940

Kolonel J.A. van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel

Het Regiment Huzaren van Boreel (RHB) heeft een lange geschiedenis. Dit artikel behandelt de periode 1905 tot 1940. Een periode die gekenmerkt wordt door de mobilisatie voor de Eerste Wereldoorlog, revolutiedreiging en de oplopende spanning voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog. 

1RH wordt weer 4RH

Bij K.B. van 17 augustus 1905 werd het aantal Nederlandse divisies weer van drie op vier gebracht, waardoor er een vierde huzarenregiment nodig was. 1RH werd daarom opnieuw opgericht, maar wel met blauwe uitmonstering in plaats van het vroegere rood. Het nieuwe 1RH kreeg hiervoor van de andere drie regimenten hun 5e eskadron weer terug, maar het eskadron ordonnansen bleef zelfstandig voortbestaan en werd niet opgenomen in 1RH. Het oude 1RH, wat tot 1881 4RH was geweest, werd nu weer terug genummerd naar het oude vertrouwde 4RH. De Standaarddoek werd daarom ingeleverd op het Departement van Oorlog om de ‘1’ te laten wijzigen in de ‘4’. Op 4 september 1905 ontving kolonel H.T.D. Braams te Millingen uit handen van H.M. Koningin Wilhelmina de gewijzigde Standaard. Standaarddrager was adjudant Schotsman. Op de terugmars werd het regiment weer ontvangen op Paleis ’T Loo.’ Bij de intocht van H.M. de Koningin na haar huwelijk was het de ‘huzarenmars’ die de stoet opende. 

In 1907 werd kolonel H.P.C.L. Mathon de nieuwe regimentscommandant. Hij zou dit tot 1910 blijven. Op 30 april 1909 was een nieuwe prinses geboren, H.K.H. Prinses Juliana. Ter gelegenheid hiervan vond om 12 uur die dag een parade van het regiment plaats op het exercitieterrein Bergweide, met als paradecommandant majoor Dufour van I.R.I. De regimentscommandant inspecteerde de aangetreden huzaren. Nadat hij in de middag de verzamelde officieren had toegesproken, marcheerde het regiment zich met muziek aan het hoofd der colonne, naar de kerk. ’s Avonds verzamelde de regimentscommandant alle officiersfamilies in zijn huis, om de geboorte van de prinses in kleine kring te vieren.

Op 1 juli 1909 ging het 5e eskadron naar Ede om zich daar in de (nieuwe) cavaleriekazerne zich bij 1RH te voegen. Op 29 juni had het regiment met een parade op de Gorsselse Heide al afscheid van dit eskadron genomen. Om de opengevallen plek in Zutphen op te vullen werd het 1e eskadron van Deventer naar Zutphen verplaatst. Dit gaf in Deventer ruimte om het depoteskadron van Amersfoort weer naar Deventer te halen. Op 25 september 1909 werd het 3e eskadron van 4RH ingezet om het terrein in Millingen af te zetten, waar het nieuwe 1RH die dag hun Standaard van H.M. Koningin Wilhelmina kreeg uitgereikt. Kolonel Mingels werd de regimentscommandant van 1RH. 

In 1910 werd kolonel A.J.P. Metelerkamp de nieuwe regimentscommandant van 4RH, terwijl op 6 maart 1911 nog een mars door de stad Deventer werd gehouden ter gelegenheid van het koperen ambtsjubileum van H.M. Koningin Wilhelmina.

In september 1910 werd de oorlogsdreiging tussen de Centrale Mogendheden (Oostenrijk-Hongarije) en de Geallieerden (Rusland, Frankrijk en Engeland) duidelijker. Ook in Nederland werden strategische voorzorgsmaatregelen genomen. In 1912 werd het veldgrijs ingevoerd en kregen de dienstplichtige huzaren geen Attila meer. Het aantal oefeningen nam toe. Op 16 september 1911 werd op de  heenmars naar een dergelijke oefening in Elspeet, met bazuinen en pauken voorop, op ’T Loo’ voor H.M. Koningin Wilhelmina gedefileerd. Er vonden ook weer wisselingen plaats in het regimentscommando. Van 1912 tot 1913 commandeerde kolonel Ph. H Tielens het regiment. Hij werd opgevolgd door luitenant-kolonel R. van Overveldt, die hiertoe tot kolonel werd bevorderd. Hij zou tot 1918 het commando over het regiment voeren.

Mobilisatie in 1914

Nadat op  30 juli 1914 om 15.00 al een voorwaarschuwing was ontvangen, kwam in de namiddag van 31 juli het bevel tot Algemene Mobilisatie binnen. Onder deze bijzondere omstandigheden vond nog een beëdiging plaats op 5 augustus op het Wechelerveld van de 2e luitenants Blaauw en Baron Sirtema van Grovestins. Op 8 augustus werd ingeladen op de spoorstations in Twello en Zutphen en vertrok het regiment naar Brabant met drie eskadrons. Het 1e eskadron bleef in Zutphen, maar werd enkele malen ingezet bij rellen in Amsterdam. Deze rellen waren meestal het gevolg van voedselschaarste. Tijdens de afwezigheid van 4RH lag een infanteriebataljon en het 11e Landweerbataljon in de kazerne in Deventer.

In ’s Hertogenbosch werden de drie eskadrons uitgeladen en naar Best gemarcheerd, waar het regiment tot 12 augustus zou blijven. Op deze dag werd de gehele cavaleriebrigade verenigd op de Beerse Heide. Naast 4RH waren ook 1RH, 2RH (ieder met drie eskadrons) en twee batterijen van het Korps Rijdende Artillerie onderdeel van de cavaleriebrigade. Gedurende deze warme en nerveuze dag werd de cavaleriebrigade geïnspecteerd door generaal-majoor Pietersen. Ook werden ‘zwartdrukken’ met gedeeltes van de stafkaart van België erop, uitgedeeld. Tegen de avond werd tot legering overgegaan.

Tot september 1915 zou 4RH in westelijk Noord Brabant blijven. Aanvankelijk werd het naar Alphen en Riel gestuurd en bleef hier tot 22 augustus. Daarna werd het regiment verplaatst naar Nispen en Hoogerheide.  Onder andere stond dagelijks een peloton als bewaking bij de grensovergang Jagerrust op de weg Calmpthout-Rucphen. Daarnaast werden regelmatig bereden patrouilles gereden langs de grens. Begin oktober 1914 kwamen veel Belgische vluchtelingen uit Antwerpen (wat toen op het punt stond veroverd te worden door de Duitsers) over de grens. Om deze onderdak te verschaffen werd 4RH door de infanterie afgelost, waardoor ruimte ontstond. Er was immers dan geen ruimte voor paarden meer nodig. Op 5 oktober vertrok daarom het 3e eskadron naar Gilze. Het 4e eskadron vertrok naar Rijen en het 2e eskadron naar Dorst. De kwartiergever moest hierbij zorgen voor de voeding van man en paard. Bij de infanterie werden echter in deze tijd al keukenwagens ingevoerd, maar niet bij de cavalerie.

In februari 1915 werd bij 4RH een mitrailleur-sectie opgericht onder bevel van 1e luitenant Jhr. F. Beelaerts van Blokland. Ter voorbereiding hiertoe was eerder een sectie mitrailleurs van 3RH (onder leiding van 1e luitenant A. Blussé van Oud-Alblas) gedetacheerd geweest bij 4RH

In de zomer van 1915 kwam H.M. Koningin Wilhelmina naar Brabant en inspecteerde o.a. ook de cavalerie-brigade. De brigade vergezelde haar reis vanaf de Roosbergsche Tiend naar de Rechte Heide. Daar werd voor het front van de brigade een beëdiging gehouden voor de nieuw benoemde 2e luitenants. In hetzelfde jaar werden de karabijnen ook voorzien van bajonetten.

Van 8 september 1915 tot 29 juni 1916 was 4RH gelegerd in de Cavaleriekazerne te Breda, de latere Trip van Zoudtlandtkazerne. Het 4e eskadron werd bijvoorbeeld ondergebracht in de geheel daartoe verbouwde manége. De cavaleriebrigade werd hierna geleidelijk van Midden-Brabant naar Noord-Brabant verplaatst. Van juli tot november 1916 lag 4RH dan ook in Son, Breugel en Best om vervolgens tot april 1918 in Uden (2e en 4e eskadron) en Volkel (3eeskadron) te verblijven. Het laatste gedeelte van de mobilisatietijd lag 4RH in Oisterwijk en Haren. De sectie zware mitrailleurs was ingedeeld op het kasteeltje ‘De Nemelaar.’ Pas op 8 april 1919 keerde het regiment weer terug naar de kazernes in Deventer en Zutphen.

Inzet bij rellen

Gedurende de gehele mobilisatie was het 1e eskadron (zoals boven vermeld) in Zutphen gebleven en werd ondermeer voor onderdrukking van rellen ingezet. Gedurende de zomer van 1918 verwisselden het 1e en 2e eskadron tijdelijk van taak en standplaats, maar in november 1918 lag het 1e eskadron weer te Amsterdam vanwege verwachte problemen. De locatie was de plaatselijke cavaleriekazerne. In deze maanden deed zich ook mobilisatie-moeheid voor. De bolsjewisten revolutie in Rusland en de communistische opstanden in Duitsland lieten ook Nederland niet onberoerd. Ook de jarenlang rantsoenering had haar sporen nagelaten. Overal stak het communisme de kop op, mede veroorzaakt tot de sterk dalend welvaartsniveau en voedselschaarste als gevolg van de geallieerde blokkade op het oorlogvoerende Duitsland. Ook het leger was niet immuun voor dit verschijnsel. 

Het 1e eskadron van 4RH werd vanaf augustus 1918 ingezet om lokale politie te versterken, o.a. in Amsterdam. Ook onder enkele legereenheden nam de onrust toe en werd demobilisatie geëist. In de Harskamp was het al tot ernstige ongeregeldheden gekomen onder de daar gelegerde infanterie-eenheden. Op 12 nov zette Toelstra in een rede aan tot revolutie. Op 13 november 1918 werd de Cavaleriekazerne aan de Sarphatiestraat in Amsterdam bestormd duizenden arbeiders, matrozen en soldaten onder aanvoering van de communistenleider David Wijnkoop. De stoet was op weg naar de Oranje Nassau kazerne om de vrijlating van een eerder gearresteerde arbeider te eisen. Een heuse revolutie dreigde uit te breken. Toen men de cavaleriekazerne passeerde keken de huzaren uit de ramen op de eerste verdieping naar de menigte. De betogers riepen de huzaren op zich bij hen aan te sluiten. Een man met een bijl liep voorop en probeerde het met een ketting afgesloten hek van de poort van de cavaleriekazerne te openen. Deze man zou eveneens met een revolver op een schildwacht hebben geschoten en die hebben geraakt in de mouw. De wachtcommandant van het 1e eskadron van 4RH (1-4 RH) de wachtmeester Kroon, hield het hoofd koel en liet het vuur openen op de menigte. Dit resulteerde in 3 doden en 7 gewonden. Dit haalde de angel uit de opstand. Op 14 november was er in Amsterdam weinig meer te merken van de revolutionaire stemming. Dat gold overigens voor het hele land. Troelstra was op 13 november zelf al gaan twijfelen aan de door hem aangekondigde revolutie. Door confessionele partijen en vakbonden werden inmiddels voorbereidingen getroffen voor massabijeenkomsten tégen de revolutie en vóór de monarchie. Gezagsdragers die in het begin van de week nog twijfelden aan de toekomst van het bestaande bestel, begonnen hun zelfvertrouwen terug te krijgen. Achteraf gezien was die bloedige dertiende november in Amsterdam misschien wel een belangrijk keerpunt in de Nederlandse revolutie die niet doorging. Naar veler overtuiging heeft wachtmeester Kroon van het Regiment Huzaren van Boreel door zijn moedig en beleidvol optreden de dreigende revolutie bezworen. Pas enige jaren na de oorlog werd Kroon’s verdienste erkend. In 1927 kreeg hij het Ridderkruis met Zwaarden in de Orde van Oranje-Nassau. Hij was hiermee de eerste onderofficier dit deze hoge onderscheiding kreeg. Het Regiment Huzaren van Boreel is nog steeds trots op deze heldendaad. Het toont de kracht van haar haar onderofficierkorps. Actie als actie wordt gevraagd. Handelen, ook als er geen officieren aanwezig zijn.

Nieuwe Standaardopschriften en een nieuwe oprichtingsdatum

Nadat in maart 1918 luitenant-kolonel T.L.S. Nedermeyer ridder van Rosenthal het bevel over 4RH had gevoerd, nam in 1919 luitenant-kolonel Jhr. H.F. van Kinschot het regimentscommando over. Bij K.B. van 17 april 1919 werd aan 4RH vergund om naast het opschrift ‘Tiendaagse Veldtocht’ ook het opschrift ‘Quatre Bras en Waterloo 1815’ op het Standaarddoek aan te brengen. Dat was de bekroning van het ijveren van 1e luitenant Beelaerts van Blokland, die zijn nasporingen naar de wortels van het regiment in 1914 had samengevat in een boekje van 24 pagina’s ‘Oorsprong en Standaard van het 4e Regiment Huzaren’. Op 14 mei 1919 werd een regimentsorder uitgegeven waarin bekend gemaakt werd “dat het H.M. De Koningin, na gehoord advies, behaagde, aan het 4e Regiment Huzaren te vergunnen, voortaan het opschrift ‘Quatre Bras en Waterloo 1815’ in de standaard te voeren.” En zo konden het voormalige Regiment Hussaren No. 4 (1813) en het 4e Regiment Huzaren (1919) na een eeuw van bestaan elkaar de hand reiken. Op 26 en 27 september werd het eeuwfeest vijf jaar en tien maanden na dato alsnog uitgebreid gevierd met een tweedaags programma. Op 26 september werd ondermeer een grote parade gehouden op de Gorsselse heide. Aan de korpsmaaltijd in ‘De Schouwburg’ van Deventer zaten 150 actief dienende reserve- en oud officieren van het regiment aan. 

4RH wordt 4HRH

In 1922 trad luitenant-kolonel A.W.E. Gelderman aan als regimentscommandant. Hij werd geconfronteerd met zware bezuinigingen. Alle regimenten huzaren werden gehalveerd, zodat er sprake was van vier halfregimenten. 4RH werd nu dus het 4e Half Regiment Huzaren (4HRH). In oorlogstijd moest 1HRH samen met 4HRH het I Regiment Huzaren vormen. 2HRH en 3HRH vormden II Regiment Huzaren. De halfregimenten bleven wel als zelfstandige eenheid bestaan en mochten hun archieven en standaarden houden. 

1HRH behield zijn 1e en 2e eskadron en mitrailleureskadron. 4HRH mocht het 3e en 4e eskadron behouden. 3HRH behield ook haar 1e, 2e en mitrailleur eskadron en 2HRH het 3e en 4e eskadron. Van de regimentscommandanten mocht er één kolonel zijn (meestal bij 3HRH), twee waren er luitenant-kolonel (in ieder geval bij 1HRH) en één was er majoor (afwisselend bij 2 of 4HRH). Zo was majoor E.P.M. Clavareau de regimentscommandant van 4HRH van 1924 tot 1927. 4HRH moest dus twee eskadrons inleveren, waardoor ook het garnizoen in Zutphen niet meer nodig was en verdween. 

In 1924 was de reorganisatie voltooid. Samen oefenen gebeurde echter alleen bij de jaarlijkse cavaleriemanoeuvres in september. In 1924 werd echter ook nog een tiendaagse oefening door 4HRH gehouden in Brabant en Noord-Limburg. Op 18 september werden toen het 3e en 4e eskadron naar Oisterwijk gedirigeerd. De eerste vier dagen werd geoefend in brigade-verband bij Chaam en Chaamdijk. Dagen van 70 km te paard, althans voor sommige onderdelen, waren regel. Vertrekkend om 05.00 uur s’ morgens werd soms pas weer om 19.00 ’s avonds bivak betrokken. De geweldige wolkbreuk aan het begin van de oefening n de vroege ochtend bij Gilze was ook onvergetelijk. Onder majoor Clavareau werden de twee eskadrons de tegenstander (Oostpartij) en werd sprongsgewijs teruggetrokken naar oost van de Maas. Achtereenvolgens overnachten zij in Boxtel, Gemers, Schanderloo, Arsen, Velden en Erp en tenslotte in Grubbenvorst. Van slaap kwam weinig terecht. De oefeningen werden afgesloten met een defilé voor H.M. De Koningin te Venlo. 

In mei 1925 kwam het 5e eskadron zich vanuit Amersfoort bij 4HRH voegen. In 1927 nam majoor P.H. Hekkema het regimentscommando over. Ook in 1928 werd weer geoefend. Dit maal in de omgeving van Midden- en Zuid-Limburg, waar het regiment minder bekend was met het terrein. Op 13 september werd te Venlo uitgeladen en marcheerden de beide eskadrons naar Herckenbosch en Vlodrop-Posterholt. De volgende dagen werd opgemarcheerd richting zuiden waar genoten werd van het prachtige Limburgse glooiende landschap, inclusief de gastvrijheid van de Limburgse bevolking. Het 3e eskadron was achtereenvolgens in Echt, Sittard, kasteel Amstenrade, Schin-op-Geul, Nischwiller en wederom in Schin-op-Geul. Het 4e eskadron trok van Stevensweer, Berg-Urmond, Hoensbroek, Gulpen naar Schin-op-Geul. De beklimmingen en afdalingen te paard door de heuvels van Limburg waren onvergetelijk, waardoor de verkenningstaken nog spectaculairder waren. Het einde van de oefening was treinbeladen in Heerlen en een treinverplaatsing naar Deventer.

Ook in de omgeving van Deventer werd geoefend. Op dinsdag werd geoefend in eskadronsverband, op woensdag in regimentsverband. Donderdag was er inspectiedag. Dan werden voor de officieren vaak tactische oefeningen op de kaart of in het terrein gehouden. Soms kwamen dan de commandant van het Veldleger en de commandant van de Cavaleriebrigade samen per trein uit Den Haag. Op het station van Deventer werden ze opgewacht door enige officieren, die twee extra paarden door hun oppassers lieten meevoeren voor de hoge gasten. Normale opdrachten voor de eskadrons waren het optreden als voorhoede, flankbeveiliging of achterhoede. Twee voorste ruiters reden spitspatrouille vooraan. Ook waren er zijpatrouilles en verbindingsruiters. Pantserwagens waren er nog niet. Die kwamen pas halverwege de jaren ’30. Ook radioverbindingen ontbraken nog. Bij kleine oefeningen was er vaak een ‘tegenpartij’ die optredend als vijand, hinderlagen legde om de troep bij de les te houden. Tegen het middaguur was het eskadron weer terug in de stallen.

In 1930 werd majoor L.H.A. Crommelin regimentscommandant en in 1931 majoor K.G. van der Mandele. Omstreeks deze tijd werd het muziekkorps door majoor J.J.M. de Waal opnieuw opgericht onder leiding van staftrompetter Bouma. Het muziekkorps bestond wederom uit ene kern van beroepspersoneel aangevuld met dienstplichtigen.  Op 9 juli 1932 schonk de gepensioneerde ritmeester J.B. van der Dussen twee fraai pauken-kleden aan het nieuwe muziekkorps. Voor het front van 4HRH werden deze pauken-kleden door de heer en mevrouw van Dussen aan de pauken bevestigd onder dankzegging van de commandant 4HRH. Op 16 september werd op ’T Loo’ in Apeldoorn met muziek en de Standaard gedefileerd voor H.M. de Koningin en H.K.H. Prinses Juliana. De (half)regimentscommandant mocht daarna persoonlijk van H.M. de bijzondere tevredenheid met voorkomen en houding van de eskadrons in ontvangst nemen.

Het militaire berichten verkeer was in deze tijd nog steeds met trompetsignalen. Ieder eskadron had twee trompetters. Je kon het zo gek niet verzinnen, of er was wel een trompetsignaal voor. Om verwarring te voorkomen waren die signalen voor infanterie, cavalerie en artillerie verschillend. Een infanterietrompet klonk ook anders dan die van de cavalerie. Daarnaast waren er ook verschillen per eskadron. Reeds bij het begin van het trompetsignaal wist je daardoor of je er verder naar moest luisteren. Het leren herkennen van trompetsignalen werd vergemakkelijkt doordat men overal teksten bij had bedacht. Bij het signaal ‘hooivoeren’ hoorde de tekst: ‘fourier, fourier, de schimmel is los. De paarden verrekken van honger en dorst.’ Het signaal voor avondappel om tien uur had de tekst: ‘Ga voor je kotje staan, ga voor je kotje staan, daar komt de duvel aan, daar komt de duvel aan.’ Het signaal voor ziekenrapport werd onthouden door: ‘Wie is vannacht naar de hoeren geweest? Voor de dokter! Voor de dokter!’ 

Het leven binnen 4HRH draaide om de paarden. Een eskadronscommandant moest niet alleen de 115 mensen van zijn eskadron kennen, maar ook de 120 paarden. Dat gold niet alleen voor hun leeftijd, gezondheid en de staat van het hoefbeslag, maar ook van hun eet- en drinkgewoontes, nukken en onhebbelijkheden. Nadat de paarden waren gedrenkt, verzorgd en gevoed, ging de troep naar de chambree (hun slaapzalen), waar ze meestal wel enige gepensioneerde collega’s troffen. Daar roddelde men over militaire aangelegenheden, paarden, collega’s, promoties en overplaatsingen. Bij de middagdienst waren alleen de toezichthoudende officieren van de week aanwezig. Dan was er staldienst en werden de ‘piepers gejast’ (aardappelen schillen). Voor de andere officieren was er dan gelegenheid voor paardrijden, tennissen of het afleggen van bezoeken. 

Weer gedoe rond de oprichtingsdatum

In een order van de Commandant van de Lichte Brigade van 11 juli 1928 was de eerder bepaald oprichtingsdatum van 4HRH (25 november 1813) formeel vastgelegd. Tot grote schrik kwam er echter een Ministeriële Beschikking van 15 april 1934 binnen, waarin de oprichtingsdatum weer terug naar 25 november 1818 werd gesteld. De regimentscommandant majoor K.G. van der Mandele, vergezeld door ritmeester A.C. Eland organiseerde echter een audiëntie bij de Minister van Oorlog. Dit had succes en bij de nieuwe Ministeriële Beschikking van 11 juni 1934 werd de datum weer op 25 november 1813 bepaald.

Cavaleriekazerne wordt Boreelkazerne

Bij ministerieel besluit van 24 september 1934 kregen de kazerne een naam in plaats van aanduiding. De Cavalerie kazerne in Deventer werd ‘Boreelkazerne’ en de kazerne der Bereden Wapens in Amersfoort werd ‘Prins Willem III kazerne.’ Op 26 november 1934 had de plechtige onthulling van de naamplaat plaats. Hierbij waren aanwezig het hoofd van de familie, Jhr. Mr. J.W.G Boreel van Hogelanden, oude burgemeester van Haarlem, en Jhr. Dr. A. Boreel, verbonden aan het Nederlandse gezantschap in Praag en achterkleinzoon van de oprichter. Majoor K.G. van de Mandele, memoreerde voordat hij tot onthulling van de naamplaat overging, de militaire loopbaan van de oprichter en herdacht meer speciaal zijn bijzondere verdienste als regimentscommandant. Hierna nam Jhr. Mr. J.W.G. Boreel van Hogelanden het woord en bracht de persoon van zijn voorvader naar voren als ‘vaderlander’, officier en mens. Hierbij haalde hij voorbeelden uit diens leven aan. Meer speciaal herinnerde hij aan het vleiende oordeel over het Regiment Hussaren No. 6 van de Hertog van Wellington, die hij na de slag bij Waterloo uitte tegenover de grondlegger van het regiment. Namelijk dat hij: “het regiment in actie gezien te hebbende, moeilijk kon geloven, dat dit voor het grootste deel slechts uit jeugdige vrijwilligers bestond.” Ook de regimentscommandant van I. RH, luitenant-kolonel L.H.A. Crommelin en de burgemeester van Deventer, M.F.W.R. Wittewaall hielden allebei een korte toespraak. Onder het spelen van het ‘Wilhelmus’ werd vervolgens de naamplaat van de Boreelkazerne onthuld door Jhr. J.W.G. Boreel van Hogelanden.

Koninklijk Bezoek

In 1935 kreeg het 4HRH koninklijk bezoek vanuit Saoedi Arabië. In dat jaar bezocht de Kroonprins Emir Ibn-Saoed met zijn gevolg uit Saoedi-Arabië het 4HRH op het Wechelerveld. Bij het ontstaan van Saudi-Arabië in de jaren twintig en dertig speelde aanvankelijk Nederland een hoofdrol. Niet vanwege de olie of handel, maar vanwege de pelgrimstochten naar Mekka. Van de tien-, soms honderdduizenden islamitische pelgrims die jaarlijks naar Mekka trokken was een groot aantal afkomstig uit Nederlands-Indië. Nederland had daarom in 1872 al een consulaat geopend in de havenstad Djeddah, dat zich bezighield met paspoorten, scheepspapieren, inentingen, ziekenzorg en repatriëring ingeval van overlijden. Dat was nodig, want de Hadj naar Mekka was in deze dagen een ware uitputtingsslag met een lange boottocht, vochtige hitte in Djeddah, ziektes, een dure kameelreis naar het 80 km verderop gelegen Mekka en berovingen onderweg.

Er was Nederland begrijpelijk veel aan gelegen om de miljoenen moslims in voormalig Nederlands Indië tevreden te houden. Omdat `Nederlandse’ pelgrims de meerderheid vormden, zag het koningshuis van Koning Ibn-Saoed al snel dat ze naast Engeland, Frankrijk en de VS, Nederland niet konden negeren. De jaarlijkse toevloed aan pelgrims was immers de belangrijkste bron van inkomsten voor de Hidjaz, de kuststreek van Djeddah en Mekka. Daarom stuurde Ibn-Saoed in 1926, kort na de verovering van dit gebied (op hun belangrijkste tegenstanders: de familie Hussein, bekend van o.a. de samenwerking met ‘Lawrence of Arabia’), zijn zoon prins Faisal niet alleen naar Groot-Brittannië en Frankrijk, maar ook naar Nederland. En bij de volgende staatsbezoeken aan Europese grootmachten in 1932 en 1935 werd Nederland opnieuw aangedaan.

4HRH wordt II. Verk. A

De laatste van een lange reeks beëdigingen op de Gorsselse Heide vond plaats op 1 april 1939, toen 2e luitenant J.A.C. Bartels en Jhr. A. Hooftgraafland van Schotervlieland de eed aflegden. Op 28 augustus 1939 begint de algemene mobilisatie van het Nederlandse leger. Door het paarsgewijs samenvoegen van de toen bestaande halfregimenten cavalerie, werden het Ie en IIe Regiment Huzaren (1RH en 2RH) gevormd en ingedeeld bij de Lichte Divisie. De vier halfregimenten hielden daarmee op te bestaan. Op 1 september vertrokken de nieuwe geformeerde 1RH en 2RH naar oostelijk Noord-Brabant. Behalve deze twee nieuwe regimenten bestond er nog vier verkenningsafdelingen (I t/m IV), elk ingedeeld bij een legerkorps. Deze bestonden uit oudere lichtingen huzaren, eveneens afkomstig uit de voorgenoemde halfregimenten. 4HRH leverde het personeel voor de IIe Verkenningsafdeling (II. Verk. A.). 

Foto’s Boreelkazerne en Deventer

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!