Kolonel Hans van Dalen, commandant Regiment Huzaren van Boreel

In de brief aan de Tweede Kamer van 24 maart 2025 stelde de Staatssecretaris van Defensie, Gijs Tuinman, dat Nederland om haar bondgenootschappelijke verplichtingen na te komen en ons grondgebied veilig te houden, een leger van ongeveer 200.000 man/vrouw nodig heeft. Al daar geen voldoende vrijwilligers voor te vinden zijn overweegt de regering ‘onorthodoxe’ maatregelen, waaronder een graduele overgang naar dien(st)plicht. Dit betekent wel dat in de komende jaren vele duizenden mannen en vrouwen opgeleid moeten worden en gereed gemaakt voor het vervullen van functies bij eenheden in Nederland en voor NAVO taken ingezette eenheden. Daarnaast is er een plan nodig om bij uitbreken van gevechtshandelingen personele verliezen bij de eenheden en staven ten gevolge van oorlogshandelingen, ongelukken of ziektes te kunnen aanvullen.
Tijd om eens dergelijke systemen in ogenschouw te nemen en onderling te vergelijken. Hierbij ga ik voorbij aan het nog grotere probleem, namelijk het aanvullen van uitrustingstukken, wapens en voorraden. Ik behandel achtereenvolgens het Britse, Duitse, Amerikaanse, Russische en voormalig Nederlands personeel aanvullings systeem.
Britse personeel aanvullings syteem
In Engeland werd de dienstplicht (ook wel nationale dienst genoemd) tijdens de Tweede Wereldoorlog ingevoerd op 3 september 1939. Op die dag werd de ‘National Service Act’ aangenomen, die alle mannen tussen 18 en 41 jaar verplichtte zich te registreren voor militaire dienst. Van 1942 tot 1945 waren ook vrouwen onder bepaalde voorwaarden dienstplichtig. Het Britse systeem was gedecentraliseerd opgezet en leunde zwaar op de aloude regimentsstructuur. Hierdoor was er veel aandacht voor eenheidsidentiteit en eenheidssamenhang, voortkomend uit de oude en gerespecteerde regimentstradities. Britse rekruten kwamen vrijwillig of werden opgeroepen en naar een lokaal regiment gestuurd. Dit regiment had vaak een eeuwenoude lokale binding, waardoor er lokale banden tussen de militairen en burgers waren ontstaan. Elk regiment had diverse bataljons in haar gelederen, waarvan sommigen in overzee-kolonies waren gestationeerd. Elk regiment had ook een depot-eenheid waar de opleiding en training van de rekruten werd verzorgd. Deze depots functioneerde niet alleen als opleidings- en trainingseenheid maar waren ook een plaats waar gewonden konden herstellen of nog niet toegewezen personeel kon verblijven. Ook fungeerden ze als ‘verzend’-eenheid om versterkingen aan de bataljons te sturen.

Na de basis training (General Military Training) die zes weken duurde werden de soldaten naar specialistische trainingscentra gestuurd voor specialistische training, zoals verbindingen, artillerie, genie, etc. Deze centra voor gevechtstrainingen werden Primary Training Centres (PTC) genoemd en de centra voor ondersteunende taken werden Corps Training Centres (CTC) genoemd. Deze werden per regionaal verantwoordelijk legerkorps georganiseerd en elk Brits legerkorps had dus zowel PTC’s als CTC’s. Zodra deze specialistische training klaar was, keerden de opgeleide militairen terug naar de depot eenheden van hun regiment.

Zodra de noodzaak daar was werden de opgeleide militairen in kleine groepen of kleine eenheden naar de fronteenheden gestuurd. Altijd naar de bataljons (of afdelingen) van het regiment waartoe hun depoteenheid behoorde. Dit verzekerde een zeer sterkte (regiments)binding, waardoor Britse eenheden een sterk ontwikkeld regimentsgevoel kenden die de gevechtswaarde over het algemeen verhoogde. De verplaatsing in kleine groepen naar de fronteenheden van hun regiment ging via de zogenaamde Reinforcement Holding Units (RHU). Deze stonden onder de verantwoording van de voor het theater verantwoordelijke staf van de bevelhebber. Voordat ze daadwerkelijk naar het front werden gestuurd kregen ze nog een laatste update briefing. Militairen die na verwonding of ziekte weer geschikt waren voor het front keerden vrijwel altijd terug naar hun oorspronkelijke regiment. Slechts bij hoge uitzondering (bijvoorbeeld crisissituaties) werden ze naar andere in nood zittende regimenten gestuurd. Het Britse leger bereikte in 1945 een sterkte van 2,9 miljoen militairen.

Duitse personeel aanvullings systeem
Het Duitse systeem werkte anders. De basis vormde hier niet de regimenten, maar het Ersatzheer (officieel Heeresersatzwesen genoemd). Het Ersatzheer viel onder het Heerespersonalamt en werd in de praktijk aangestuurd door de chef staf van het leger (Chef des Allgemeinen Heeresamtes). Dit was aanvankelijk Kolonel-generaal Friederich Fromm. Na de aanslag op Hitler in 1944 nam Reichführer SS, Heinrich Himmler deze taak over.
Het Ersatzheer werkte nauw samen met zogenaamde Wehrkreise. Duitsland was in 17 geografische Wehrkreise onderverdeeld. Elke Wehrkreis had een locatie voor aanmonstering en keuring, bezat (Wehrbezirkscommando) een centrale opleidingsplaats (Rekruten-Ausbildungslager) waar de basisopleiding plaatsvond (Grundlehrgang of Grundausbildung) inclusief elementaire wapenlessen. Deze Grundausbildung duurde aan het begin van de oorlog voor de infanterie 16 weken. In 1940 werd hij tot 8 weken ingekort maar in de winter van 1943 / 1944 weer op 16 weken gezet. Soldaten van tank- en verkenningseenheden hadden een 21 weekste opleiding, maar dit was inclusief vaktechnische scholing.

Elke Wehrkreis had ook speciale opleidingseenheden waar rekruten vaktechnische opleiding (Verwendungsausbildung) kregen en in eenheidsverband werden geschoold. Dit waren de Ersatztruppenteile. De Wehrkreise waren verantwoordelijk voor de oprichting en personeelsaanvulling van de divisies van de Duitse Wehrmacht. De verbondenheid met de Wehrkreise leidde ertoe dat elke Wehrmacht divisie een eigen geografische achtergrond had. Bijvoorbeeld Zuid-Beieren, Berlijn, Köningsberg, Brandenburg, Saksen, Westfalen, etc. Tegelijkertijd bezat elke divisie dus een eigen geografische gebonden Ersatzeinheit, veelal van bataljonsgrootte, soms zelfs regimentsgrootte. Deze Ersatzeinheit kreeg basisgevormde soldaten van het Rekruten-Ausbildungslager en organiseerde dan verder vaktechnische opleidingen en eenheidstraining.

In oorlogstijd werden de Wehrmachtdivisies naar de diverse fronten gezonden, terwijl de Ersatzeinheit aanvankelijk achterbleef in de eigen Wehrkreis. Maar al snel werden de Ersatzeinheiten gebruikt als bezettingstroepen in de veroverde gebieden. Ook bijvoorbeeld in Nederland, zoals het Ersatzregiment van de ‘Hermann Göring Pantserdivisie’ die op de Kromhoutkazerne (!) was gelegerd. Vaak werden ze voor hun bezettingstaken gegroepeerd in grotere verbanden, bijvoorbeeld een divisie met een ‘hoger’ nummer. Nog verder in de oorlog werden Ersatzeinheiten bijgetrokken naar het front om in het achtergebied van een divisie (of leger) achtergebiedsoperaties uit te voeren, zoals bewakingstaken, beveiliging van vitale infrastructuur of logistieke centra van het leger, anti-guerrilla operaties of zelfs intimidatie tegen de burgerbevolking. Deze werden dan Feldersatzbatallionen genoemd. Een voor Nederlanders herkenbaar voorbeeld is het in september 1944 sturen van het Ersatzbatallion ‘Herman Göring’ en de SS-Unterführerschule Arnheim naar de westflank van de Engelse luchtlandingen bij Arnhem, terwijl de Kampfgruppe ‘Knaust’, die naar de oostflank werd gestuurd, was samengesteld uit schooleenheden van Panzer Ersatzabteilung 11 en Panzer Grenadier Ausbildungs und Ersatzbatallion 64.
Op aanvraag stuurde de Ersatzeinheit mensen naar de fronteenheden. Dit gebeurde meestal op rustige momenten en niet in het heetst van de strijd. Soms kwamen afgematte Duitse eenheden compagnies of zelfs bataljonsgewijs naar achteren om dan op locatie van de Feldersatzeinheit te rusten, aangevuld te worden en weer eenheidstrainingen uit te voeren. Het kwam echter ook voor dat situatie aan het front dusdanig fout liep dat de Feldersatzeinheit compleet als gehele eenheid in de strijd werd geworpen. Bijvoorbeeld om een doorbraak te stoppen of grotere frontgaten te dichten. Dit had dan grote nadelen voor de andere (uitgeputte) eenheden van de divisie en probeerde men te voorkomen.
Toen de Ersatzeinheiten meer en meer naar het front werden gestuurd, namen de rekruten-opleidingscentra en de vaktechnische scholen soms de taak van bezettingstroepen over. Ook werden vaak complete afgematte divisies teruggehaald van het front om en masse weer op sterkte gebracht te worden. Die kregen dan soldaten vanuit de oorspronkelijke Wehrkreis toegewezen nadat die de Rekruten-Ausbildungslager hadden doorlopen.

De verplaatsing naar de Ersatzeinheiten en van Ersatzeinheiten naar de fronteenheden gebeurde altijd in zogenaamde Marschkompanien of Marschbatallionen. Dit waren bewapende en georganiseerde treinverplaatsingen onder leiding van daadkrachtige officieren. Genezend personeel wat weer geschikt werd geacht voor het front werd gedurende hun genezingsproces in zogenaamde Genesend-Einheiten geplaatst vaak van compagnies grootte. Ze keerden vrijwel altijd terug naar hun oorspronkelijk divisie.
Het verloop van de oorlog liet het aanvankelijk goed georganiseerde Duitse personeel aanvullings systeem in de soep lopen. De geografische binding kon moeilijk worden vastgehouden en de Ersatzeinheiten werden steeds vaker ingezet voor niet-trainingstaken. Ook vormde de continue geallieerde luchtbombardementen en de frequentere aanslagen door verzet- en guerrillastrijders een steeds grotere belasting waardoor opleidingen aan kwaliteit inboeten. Daarnaast was er continue een tekort aan uitrustingstukken, munitie en brandstof. Vaak moest daarom getraind worden met veroverd oorlogsmateriaal, bijvoorbeeld van Franse, Belgische, Tsjechische of Nederlandse makelij. Daarnaast werden aan het einde van de oorlog vaak oudere of erg jonge lichtingen opgeroepen, wat de kwaliteit niet altijd ten goede kwam. Ook werd overtollig Marine en Luftwaffe personeel zonder grondige omscholing ingedeeld bij het leger of Waffen SS. De opleidingen werden daarnaast vaak korter. Aan het einde van de oorlog werden zelf veel Ersatzeinheiten en scholen opgeheven en ingedeeld bij de nieuw gevormde Volkgrenadierdivisionen of andere eenheden. Voorbeelden hiervan zijn de Infanteriedivision Schill (gevormd ondermeer uit een Sturmgeschütz school), Panzerdivision Clausewitz (gevormd uit een tanktrainings school, de Ersatzeinheiten van andere tankdivisies en aangevuld met trampersoneel !) of de 38e SS-Grenadier Division Nibelungen (gevormd uit SS-officiersopleidingen). De neiging van de Duitse legerleiding om vanwege politieke redenen snel nieuwe eenheden op te richten dan om bestaande ervaren eenheden adequaat aan te vullen hielp vanzelfsprekend niet. Kortom het werd er allemaal niet beter op. De gevechtskwaliteit van de Duitse eenheden daalde snel. Het Duitse leger telde in mei 1945 wel nog altijd zo’n 5,3 miljoen man. De Waffen SS voegde hier nog eens 800.000 man aan toe.

Het Amerikaanse personeel aanvullings systeem
Het Amerikaanse systeem werkte weer anders. Pas op 15 september 1940 voerde de Verenigde Staten voor het eerst in de geschiedenis een dienstplichtwet in, de zogenaamde Selective Service Act. Dit was nodig omdat de combinatie van Regular Army, National Guard en Organized Reserve eenheden een onvoldoende groot leger opleverde. De US Army profiteerde wel van het zogenaamde Officer Reserve Corps. Dit was een zeer grote groep (180.000 !) potentiële reserveofficieren die door een ROTC programma waren opgeleid als reserveofficieren door een speciaal (militair) programma bij de landelijke hoge scholen. Deze officieren zouden in de oorlog het bevel voeren over meer van 6 miljoen Amerikaanse dienstplichtigen die in meerdere theaters hun plicht zouden vervullen. De totale sterke van de US Army was overigens eind mei 1945 ongeveer 8.200.000 man.

De dienstplichtigen werden door ‘loting’ aangewezen, waardoor het Amerikaanse leger zich voornam elk jaar 900.000 soldaten op te leiden. In tegenstelling tot het Duitse systeem baseerde het Amerikaanse systeem zich echter juist NIET op geografische samenhang of zoals het Britse op regiments samenhang. Manschappen konden willekeurig worden ingedeeld en het maakte niet uit waar men vandaan kwam. Het Amerikaanse systeem was een strak georganiseerd gecentraliseerd systeem en stond onder leiding van het War Department’s Replacement and School Command. Deze zorgde voor toewijzing van de rekruten aan één van de 21 basis opleidingscentra waar de manschappen de basisopleiding doorliepen om daarna naar specialistische scholen te worden gestuurd. Deze specialistische scholen waren vaak aanwezig op de dezelfde grote legerbasis waar ook de basisopleiding plaatsvond.
Alle US Army eenheden werden aan het begin van de oorlog nadat hun personeel individueel was opgeleid en voordat ze werden ontplooid, op het grondgebied van de USA getraind. Hiertoe werden grote oefenterreinen aangelegd of ter beschikking gesteld in Zuid- en Noord Carolina, Tennessee en Louisiana. Woestijn training vond plaats in California, Arizona en Nevada. Berg training op Camp Hale in Colorado, maar dit bleek nauwelijks nodig. Tank training werd georganiseerd op Fort Knox in Kentucky en Airborne training op Fort Benning in Georgia. Tank destroyer training gebeurde op Camp Hood in Texas. Jungle training vond veelal plaats in de Pacific regio zelf.

Nadat de US Army eenheden waren ontplooid moest er een personeel aanvullings systeem worden georganiseerd. Na de individuele opleiding werd het opgeleid personeel naar Replacement Depots (REPL DEP) gestuurd of Staging Area’s. Ze werden in het militaire jargon door soldaten ‘repple depple’s genoemd. Een voorbeeld hiervan is Greensboro in Noord Carolina. Deze Replacement Depots waren op het grondgebied van de USA gevestigd. Van hieruit werden ze overzee gestuurd naar de Theater Replacement Depots (TRD). Elk theater, bijvoorbeeld Europa, Middellandse Zee gebied of Azië had eigen TRDs. Dit waren in praktijk vaak enorme tentenkampen in de buurt van havens. Daarna werden de rekruten naar Direct Support Depots gestuurd. Er was er één per leger. Als de afstand te groot was werden er Intermediate Depots ingericht. Er waren er ongeveer 20 depots in Europa (in Engeland, Italië, Frankrijk en België) en een stuk of acht in de Pacific (in Australië, Nieuw Caledonië, Saipan). In zo’n TRD verbleven de manschappen soms langere tijd afhankelijk van de noodzaak tot aanvulling.
De behandeling van de manschappen in de TRD was massaal, onpersoonlijk en bureaucratisch, waardoor de mentale vorming van manschappen te lijden had. Manschappen (en kader) werden daarnaast individueel of kleine naar de fronteenheden gestuurd. Deze hadden geen controle over wie ze kregen, waardoor genezen en terugkerend personeel soms bij andere dan hun oorspronkelijke eenheid werden ingedeeld. Het nieuw ingedeeld personeel kreeg nauwelijks aanvullende training of eenheidsvoorlichting, waardoor de binding met de nieuwe eenheid te wensen over liet en er vaak een grote mentale afstand bleef bestaan tussen ervaren frontsoldaten en de nieuwelingen. Veel nieuwelingen voelden zich dan alleen, gedesoriënteerd, verlaten of niet-geaccepteerd. Dit deed de eenheidscohesie geen goed en (erger nog) resulteerde in een hoog sneuvelgehalte van de nieuwelingen omdat ze geen kans kregen een ‘band’ op te bouwen met meer ervaren soldaten of kader.

Het voordeel van dit Amerikaanse push-systeem was dat eenheden wel continue een hoge bezettingsgraad behielden en dus gemakkelijk op hun organieke sterkte bleven. Aan het einde van de oorlog werd het systeem verbeterd. De US Army erkende de problemen en liet bij enkele divisie introductieprogramma’s opzetten. Ook werden er meer pogingen ondernomen om groepen en pelotons bij elkaar te houden en eenheidsgewijs als aanvulling naar de fronteenheden te sturen. Ook deed men meer pogingen om genezend personeel naar de oorspronkelijke eenheid terug te sturen.
Het Russische personeel aanvullings systeem
De Russen hadden het moeilijk. Het oude vertrouwde personeel aanvullings systeem werkte al snel niet meer doordat de Duitse enorme aantallen soldaten doden of gevangen namen en vele opleidingslocaties overliepen door hun snelle gemechaniseerde opmars in 1941. Daarnaast kwam ongeveer 1/3 van de Russische bevolking onder de Duitse bezetting en kon dus niet worden opgeroepen. Noodgedwongen improviseerde de leiding van het Rode Leger en wist ondanks de tegenslagen een nieuw systeem uit de grond te stampen. Dit systeem draaide om pragmatisme en kwantiteit in plaats van kwaliteit. Opleidingen waren bare-minimum, waarbij in de praktijk bijgeleerd moest worden (als men de eerste gevechten tenminste overleefde). Veel opleidingen werden vaak door fabriekspersoneel letterlijk naast de fabriek gegeven omdat er geen tijd was voor grondiger opleiding. Aan het Leningradfront werd fabrieksarbeiders in geval van een dreigende Duitse doorbraak in de door hun gemaakte tanks naar het nabij gelegen front gestuurd om nadien weer afgelost te worden en terug te keren naar de fabriek. Soms was het kunnen bedienen van het stuk geschut of tank of vliegtuig voldoende om naar het front te worden gestuurd. Hoewel dit nodig was om de snel oprukkende Duitsers te kunnen stoppen, kwam dit alles de kwaliteit (en stamina) van de troepen niet ten goede.

De Sovjet Unie begon na het uitbreken van de vijandelijkheden van de Duitsers met het oproepen van grote golven dienstplichtigen. Vooral in de jaren 1941, 1942 en begin 1943 werden enorme aantallen dienstplichtigen in het Rode Leger getrokken. Mannen en vrouwen in de weerbare jaren die in de door de Duitsers bezette gebieden woonden, werden aangemoedigd om toe te treden tot guerrilla groeperingen. Gebrek aan training resulteerde in aanhoudende grote verliezen. In de latere jaren raakte ook de Sovjet Unie door haar beschikbare menspotentieel heen en werden zelfs oudere lichtingen en jongeren op geroepen, iets wat in de Westerse literatuur nauwelijks naar voren komt. Daarnaast werd mankracht uit de terugveroverde gebieden onmiddellijk ingelijfd en ingezet (of geëxecuteerd vanwege collaboratie met de Duitsers).
Iets waarin het Sovjet leger verschilde van de Duitse, maar vooral Britse en Amerikaanse leger was de politieke indoctrinatie. Die vond in het Duitse leger ook wel plaats, maar voornamelijk bij de Waffen SS eenheden en nauwelijks bij de Wehrmacht. Het Rode Leger maakte daarentegen intensief gebruik van politieke indoctrinatie. Enerzijds om de vechtlust aan te wakkeren, anderzijds om de eenheden meer cohesie te geven en commandanten tot meer energie en actie aan te sporen. Deze politieke indoctrinatie werd uitgevoerd door politieke commissarissen per eenheid (zampolit) en werd georganiseerd door de communistische partij en jeugdorganisatie Komsomol. De zampolits hadden de opdracht te rapporteren over de (politieke) betrouwbaarheid van commandanten en troepen en misstanden te rapporteren aan de politieke leiding. De gevechtswaarde van individuele militairen werd ook op peil gehouden door het verstrekken van gunsten aan de familie bij betoonde dapperheid en het straffen van familieleden bij laf optreden, overlopen naar de vijand of desertie. Feitelijk werd geen middel geschuwd om de Sovjetsoldaat tot vechten aan te sporen of te dwingen.

Dienstplichtigen en genezen personeel werd opgeleid bij zogenaamde reserve depots of reserve regimenten (zapassnye polki, afgekort tot ZAP). Deze eenheden verzorgden de (korte) basisopleiding, functieopleiding en politieke indoctrinatie. Deze eenheden werden ook gebruikt om snel erg gesleten divisie aan te vullen als dit noodzakelijk was of gebruikt om compleet nieuwe eenheden te vormen. De individuele opleiding was veel belangrijker dan eenheidsopleiding of eenheidsvorming. Dit laatste kwam in het Rode Leger nauwelijks voor. De verplaatsing naar het front gebeurde net zoals bij de Duitsers in marscompagnieën of marsbataljons (marschrotye). Alleen werd er minder stringent dan aan Duitse zijde vastgehouden aan eenheidsvorming. Personeel werd vanuit deze marseenheden individueel ingedeeld waar de nood het hoogste was. Soms (vaak) zelfs zonder rekening te houden met de genoten militaire opleiding.
Net zoals de Duitsers overigens, maakte het Rode Leger ook gebruik van stafbataljon (shtrafbats) waar gedeserteerde soldaten zich konden rehabiliteren. Dit was geen kleinigheid. Er stonden zware straffen op het niet nakomen van militaire orders. Het te laat arriveren bij een toegewezen eenheid, zelfs al was het buiten je schuld om, kon al resulteren in desertiebeschuldigingen. Door de Sovjet veiligheidstroepen (NKVD) werden achter de linies ook opstellingen ingenomen om terugvluchten van complete eenheden te voorkomen. Dit werden blokkade troepen genoemd (zagraditel’nye otriady).
Ook de Sovjets leerden. Aan het einde van de oorlog werd politieke indoctrinatie minder belangrijk, hoewel de kennismaking met de welvaartsomstandigheden in Polen, Hongarije en Duitsland hier eigenlijk wel om vroeg. In plaats daarvan richtte men zich meer op eenheidscohesie en probeerde door eenheidstrainingen, het beter selecteren van commandanten, toekennen van medailles en eretitels de gevechtswaarde van eenheden te vergroten. Ook probeerde men meer ervaren divisies op oorlogssterkte te houden in plaats van elke keer nieuwe eenheden op te richten. De Duitsers maakten juist tegenovergestelde keuzes en richten veel nieuwe eenheden op met navenant geringe gevechtskracht.

De uitdagingen voor het Rode Leger waren vele malen groter dan die van de andere combattanten. De uitgestrektheid van Rusland, de geringere industriële basis, de slechte infrastructuur, de ongeletterdheid van de bevolking, Duitse bombardementen, de snelle Duitse opmars waardoor resources, eenheden en potentiële dienstplichtigen verloren gingen, brachten enorme uitdagingen met zich mee. Ook de legerzuivering in de jaren ’30 waardoor veel officierservaring verloren was gegaan of onder druk stond, hielp niet mee. Het grootste probleem was echter de enorme verliezen die het Rode Leger gedurende de hele oorlog leed. Niet alleen in de begin jaren, maar zeker ook nog in de laatste jaren van de oorlog. 11 miljoen (!) Russische militaire doden als gevolg van oorlogsgeweld en erbarmelijke omstandigheden in Duitse krijgsgevangenenkampen stelden de Russische autoriteiten voor een uitdaging die alleen met harde maatregelen en onorthodoxe middelen opgelost kond worden. Het kunnen bedienen van een (wapen) systeem was voldoende om naar het front gestuurd te kunnen worden. De rest werd in de praktijk geleerd. Als ze de eerste gevechten met de Duitsers (en hun bondgenoten) tenminste overleefden. Niettemin bereikte het Rode Leger in 1945 een sterkte van rond de 12 miljoen mannen en vrouwen.
Nederlandse Personeel Aanvullings systeem
Het Nederlandse personeel aanvullings systeem maakte voorheen gebruikt van depoteenheden die vaak per regiment waren georganiseerd, maar hier niet fysiek bij hoorden. Hier werden de rekruten (basis) opgeleid. Daarna kregen ze eenheidstraining bij één der compagnieën (of eskadrons) van een regiment. Toen de gevechtseenheden in de Tweede Wereld oorlog werden ontplooid in de Grebbelinie, Peel-Raam stelling, Kornwerderzand of Residentie werden de depots veelal naar de Vesting Holland verplaatst. Soms op strategische plaatsen, zoals die van de Genie op het Eiland van Dordrecht en die van de Verbindingstroepen in Rotterdam. Soms op kazernes voor algemene bewakingstaken, zoals het depot cavalerie (van vier regimenten cavalerie) op de Alexanderkazerne in Den Haag. Dit systeem hield ook nog even stand na de Tweede Wereldoorlog om de Indië-eenheden op peil te houden.

Na de Tweede Wereldoorlog ging de Landmacht in mechanisatieperiode begin jaren vijftig over op Amerikaanse legervormingssysteem en ging dus ook het Amerikaanse ‘filler’ personeel aanvullings systeem gebruiken. Hierdoor kwam er minder aandacht te liggen op eenheidsvorming en werd personeel individueel aangevuld. Rekruten werden niet meer bij depots maar bij de regimenten elf opgeleid. Aanvankelijk elk jaar twee lichtingsploegen. In 1953 moest het leger worden verdubbeld werden het filler-systeem aangepast. Er werden nu zes lichtingen per jaar opgeroepen, opleidingen vonden weer plaats in depots en de opleidingen werden verkort. Basisopleiding werd twee maanden en vaktechnische opleiding (afhankelijk van complexiteit) werd twee tot zes maanden. Eenheidstraining vond plaats bij de eenheden. Door het verkorten van de opleidingen kwam instructiepersoneel vrij waar men nieuwe eenheden (4e en 5e Divisie) gevormd. De vergroting van de Landmacht noodzaakte ook tot de bouw van grote legerplaatsen, zoals Oirschot, Stroe (oorspronkelijk bedoeld voor herhalingsoefeningen) en Havelte, ’t Harde, Nunspeet, Ermelo en Ossendrecht (elk bedoeld voor 3.000 tot 3.200 militairen). Nadeel was dat er elke paar maanden nieuwe manschappen (en kader) bij de eenheden kwamen die dan de gaten van de (in de reserve stand geplaatste) vetrokken dienstplichtigen opvulden. De manschappen van de Indië-eenheden vulden samen met deze dienstplichtigen de reserve-eenheden. De vermenging van Indië-strijders met de (groene) Nederlandse dienstplichtigen was niet altijd een goede mix.

Zoals eerder besproken in het Amerikaanse systeem draagt dit ‘filler’-systeem niet bij aan eenheidscohesie doordat de eenheden continue te maken krijgen met in- en uitstroom van (dienstplichtig) personeel. In de 1962 ging eerst de cavalerie en in 1964 de infanterie, genie en artillerie over op het ONDerdeels AanvullingsSysteem (ONDAS). Dienstplichtigen van een lichtingsploeg werden compagnie/eskadronsgewijs geformeerd, opgeleid en kregen hier ook eenheidstraining nadat dienstplichtig kader (in de vijfde of zesde maand) was toegevoegd. De opleiding van de cavalerie gebeurde eskadronsgewijs in Amersfoort. De infanteriecompagnieën en artilleriebatterijen werden bij de infanteriebataljons en artillerieafdelingen opgeleid. Dit werden ‘school’-eenheden genoemd. De rest van de benodigde manschappen werd individueel opgeleid en toegevoegd aan de eenheden (INDAS). Het grote voordeel hiervan was dat de complete diensttijd benut werd voor opleiding en training en dat er grote teamgeest op de lagere niveaus ontstond. De onderdeelsvorming stond dus voorop en was belangrijker dan individuele opleiding. Nadeel was wel dat als militairen uitvielen gedurende hun diensttijd het vrijwel onmogelijk was om dit aan te vullen. Doorbevordering van energieke militairen in leidinggevende posities behoorden echter wel tot de mogelijkheden en werd ook toegepast. Groot voordeel daarentegen was dat bij herhalingsoefeningen de manschappen van de eenheden en lager kader elkaar kenden en op elkaar waren ingespeeld. De eenheid was hierdoor sneller weer inzetgereed. Herhaling was eigenlijk een soort reünie en de deelname aan dergelijke herhalingsoefeningen was dan ook groot.

Afsluiting
We zien dus diverse soorten personeel aanvullings systemen. Sommige zijn decentraal van aard, sommigen hebben een centraal karakter. Daar waar het Amerikaanse systeem veel aandacht gaf aan een individuele kwalitatief hoogstaande opleiding, benadrukte het Duitse systeem geografische samenhang en eenheid cohesie. Het Russische systeem had een meer geïmproviseerd karakter en gebruikte pressiemiddelen en politieke indoctrinatie. Het Britse systeem haalde haar kracht uit regimentstradities en trots, waarbij individuele motivatie belangrijker was dan eenheidscohesie. Nederland daarentegen schommelde tussen diverse systeem die (mede) ingegeven werden door het gekozen legervormingsmodel. Aanvankelijk was dit het Amerikaanse model, later werd een meer Nederlands eigen systeem ontwikkeld wat in de jaren tachtig vrijwel de perfectie benaderde, maar wel in de context van die tijd.