De Mobiele Eenheid, het KNIL Vechtwagen Bataljon

Door: Kolonel J.A. van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel

Maar weinig mensen weten dat Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog een compleet tankbataljon bezat en deze zelfs heeft ingezet in de strijd. Niet op Nederlandse bodem, maar in Nederlands Indië. Dit tankbataljon of beter ‘bataljon vechtwagens’ werd ‘Mobiele Eenheid’ genoemd en vormde de strategische reserve op Java. In 1942 wierp het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) deze reserve in de strijd om te proberen de binnenvallende Japanse troepen tegen te houden. Met dit artikel probeer ik deze vergeten episode uit de vaderlandse cavaleriegeschiedenis weer voor het voetlicht te brengen.
Eerste pantserwagens in Nederlands-Indië

Net zoals in Nederland werden in vanaf 1934 ook bij het KNIL pantserwagens ingevoerd. De eerste pantserwagens waren van Nederlands fabricaat[1]. Deze pantserwagens waren slechts licht gepantserd en hadden een bemanning van vijf personen. Het draaien van de koepel werd met fietspedalen gedaan en er was zelfs een ventilator beschikbaar. Maar bij beproevingen in Indië bleek onvoldoende speciale brandstof[2] beschikbaar en vond men de pantserwagens te zwaar voor de plaatselijke wegen. De pantserwagens werden daarom terug verkocht aan de fabriek en later doorverkocht aan Brazilië.  In december 1937 kwamen nieuwe pantserwagens (lichte tanks) in Bandoeng aan en richtte men een ‘proef-vechtwagen afdeeling’ op. Er waren twee soorten lichte tanks allebei van Britse makelij, namelijk een ‘landtank’ en een ‘amphibietank’. De amphibietank was de Vickers Carden Loyd Amphibious Tank Model 1931. De landtank was de Vickers Carden Loyd Light Tank Model 1936 (ook wel Type II genoemd en afgekort tot VCL), waarvan er weer twee typen waren. Een met één Vickers mitrailleur (met waterkoeling) in de toren en de andere met een dubbelmitrailleur in de toren. De lichte tank woog slechts 4,3 ton.[3] Er waren 25 VCL tanks[4] geleverd, hoewel de oorspronkelijk order maar liefst 73 bedroeg.[5] De lichte tanks werden vechtwagens genoemd.

Figuur: de Vickers Carden Loyd Light Tank Model 1936 (bron cavaleriemuseum)

Behalve de lichte tanks waren er ook nog een paar lichtere pantserwagens (destijds pantserauto’s of pau’s genoemd) aanwezig op Java. In 1938 waren er 12 Engelse Alvis Straussler ACSD’s en een aantal Amerikaanse M3 Al Scout Cars, die voor verkenningen en personeelsvervoer werden gebruikt.

Figuur: links de Engelse Alvis Straussler, rechts de Amerikaanse M3 Schout Cars

Van Nederlands-Indisch fabricaat waren de zogenaamde overvalwagens, een gepantserd personeelsvoertuig, waarvan er diverse versies hebben bestaan. Het waren een open voertuigen op standaard-Chevrolet-chassis en wogen ongeveer 7 ton. Ze waren ontworpen bij de Artillerie Inrichtingen in Bandoeng en bedoeld voor het vervoer van stads- en landwachten over goede wegen. Ze waren niet bestemd voor de strijd te velde tegen zwaar bewapende troepen, omdat ze te weinig manoeuvreerbaar en te kwetsbaar waren. Een paar van deze pau’s werden als vliegveldverdedigingsvoertuig gebruikt met een .50-mitrailleur in de laadbak. Verder waren pau’s ingedeeld bij de twee gemotoriseerde compagnieën Mariniers die in Soerabaja als mobiele reserve tegen luchtlandingstroepen gereed stonden.

Figuur: de overvalwagens tijdens een demonstratie van de stadswacht op het Koningsplein in Batavia

Java is doorsneden met grote en kleine rivieren en stroompjes, zodat tanks voor het afleggen van grotere afstanden van wegen en bruggen gebruik moeten maken. Bovendien is er door gebrek aan open ruimtes vaak weinig ruimte voor ontplooiing buiten de wegen. Zware tanks zijn hierbij dus in het nadeel. Voormalig KNIL-tankofficier luitenant C.A. Heshusius[6] schreef na de oorlog in 1947 meerdere artikelen over het gebruik van tanks in Nederlands-Indië, zowel tijdens de Japanse inval als tijdens de naoorlogse politionele actie. Hij was erg verrukt met de slechts 4,3 ton wegende “tankette VCL” en omschreef haar als een “een juweeltje van techniek, die overal kon komen mits bestuurd door “deskundig personeel”. [7]

Het KNIL tankbataljon

Oorspronkelijk was voorzien om elke brigade uit te rusten met een tankbataljon van twee compagnieën lichte tanks en één compagnie middelzware tanks. Dit betekent 90 tanks per brigade wat het totaal op ongeveer 600 stuks brengt. De oorlog in Europa maakte, dat Engeland na 1940 geen tanks meer naar Nederlands-Indië stuurde, zodat men bij de USA als leverancier aanklopte. Maar in de USA stond de tankproductie nog in de kinderschoenen en bovendien werd de USA geconfronteerd met de groeiende Japanse dreiging, zodat tankproductie ook voor het eigen Amerikaanse leger nodig was.

Figuur: Marmon Herrington tank

Veel Amerikaanse modellen waren bovendien te zwaar voor Indië. De keuze viel daarom op twee typen, allebei van de Marmon-Herrington fabriek die in Zuid Afrika stond. Het eerste type woog slechts 7 ton, bezat twee mitrailleurs en had een bemanning van twee man. Het andere type was zwaarder, woog 12,5 ton, bezat zelfs een 3,7 cm kanon en 0.3 mitrailleurs en had een bemanning van drie personen nodig.  De levering zou vanaf mei 1941 vooral in de tweede helft van dat jaar plaatsvinden. Hier kwam door het verloop van de oorlog weinig van terecht en slechts een stuk of 25 Marmon Herringtons werden op tijd geleverd. Dit waren overigens allemaal lichte types, geen enkele zware Marmon Herrington werd geleverd. Enkele geproduceerde Marmon Herringtons werden wel naar Suriname verscheept en daar ingedeeld bij het Surinaamse vrijwilligerslegioen en bemand met Nederlandse Mariniers.

Intussen waren in Indië op zes van de zeven zelfstandige eskadron gemotoriseerd en voorzien van pantserwagens. Alle geleverde lichte tanks werden niet bij deze zelfstandige eskadrons ingedeeld, maar op drie na in één eenheid geplaatst, die ‘Mobiele Eenheid’ werd genoemd[8]. De Mobiele Eenheid werd niet ingedeeld bij een divisie, maar stond als strategische reserve direct onder bevel van de Chef Generale Staf (CGS). De eenheid was vreemd genoeg ingedeeld bij de infanterie. De eenheid bestond uit een bataljonsstaf, een compagnie lichte tanks, een peloton pantserauto’s (pau’s), een compagnie infanterie op overvalauto’s een sectie AT-geschut en een paar kleinere ondersteunende eenheden.  Vlak voor de Japanse invasie kwamen de lichte Marmon-Herrington tanks aan en 7 hiervan werden ook ingedeeld bij de ‘Mobiele Eenheid’. De compagnie vechtwagens bestond hierna uit een stafpeloton van 3 tanks, 2 peloton van elk 7 VCL tanks en een Marmon-Herrington peloton van 7 tanks. Met deze Marmon-Herrington tanks kon niet meer worden getraind, want de Japanse invasie stond voor de deur. Op Koninginnedag 1941 was er overigens nog met het hele tankbataljon nog een parade gehouden op het Waterlooplein van Batavia.

Figuur: foto’s van de parade te Batavia 1941 (bron cavaleriemuseum)

De Japanse invasie

Figuur: Een VCL van het KNIL (bron cavaleriemuseum)
Figuur: een foto van de Japanse invasievloot naar Java
Figuur: Verloop dan opmars van het Shoji detachement De KNIL tegenaanvallen op 2 en 3 maart zijn ook weergegeven.

Figuur: Een Japanse schets van de aanval van de Mobiele Eenheid op Soebang

De commandant van de aanvallende compagnie vechtwagens, kapitein Bakhuys deed eveneens verslag en stak zijn bewondering voor de Japanners niet onder stoelen of banken[37]:

Op 3 maart ging de grote tegenaanval vanuit Purwakarta van start, waarbij het 2e Regiment Infanterie over een afstand van 15 km over relatief open terrein moest oprukken naar het vliegveld Kalijati. Doordat een geslaagde Japanse luchtaanval op het vliegveld Andir Nederlandse luchtsteun onmogelijk maakte, moest de aanval zonder luchtsteun plaatsvinden. Het restant van de Mobiele Eenheid (voor deze vervolgactie samengevoegd tot één compagnie) moest deze actie ondersteunen door voorafgaande aan de opmars de hoofdweg te verkennen en te beveiligen. Een gedeelte van de Mobiele Eenheid slaagde er daadwerkelijk in om op 3 maart om 09.30 de Japanse verdedigingspositie te bereiken[38], maar kon geen effectieve aanval opzetten. De Japanners vernietigden volgens eigen zeggen hierbij 1 lichte tank en maakten er 5 buit.[39] Het vliegveld werd ongeveer dezelfde tijd gebombardeerd door Nederlandse vliegtuigen, maar die brachten maar weinig schade toe.
Japanse vliegtuigen maakten vervolgens korte metten met de rest van de aanvallende KNIL troepen door aanhoudend luchtaanvallen uit te voeren op de colonne. Deze luchtaanvallen veroorzaakten weliswaar geen hele grote personele verliezen, maar hadden wel grote demoraliserende werking. De luchtaanvallen verhinderden bijvoorbeeld hergroeperingen en vele KNIL militairen vluchtten weg.

Figuur: Japanse foto van de gevolgen van de luchtaanval. De weg van Purwakarta naar Kalijati ligt bezaaid met wrakken.

De tegenaanval werd uiteengeslagen met aanzienlijke verliezen en de weg lag bezaaid over een afstand van 20 kilometer met maar liefst 158 vernietigde of achtergelaten KNIL voertuigen, waaronder lichte tanks, pantserwagens en pau’s.[40] In totaal sneuvelden bij deze aanval ongeveer 100 KNIL militairen. De gelijktijdige aanval op het landingshoofd bij Eretan Wetan werd daarnaast ook afgeslagen. Ondermeer door effectief artillerievuur en scheepsgeschut, waardoor 30 KNIL militairen sneuvelden. Hier werden overigens aan Nederlandse zijde ook vier lichte tanks ingezet. [41]


Figuur: de Nederlandse tegenaanval op Subang en vliegveld Kalijati

De weg naar Bandoeng lag nu open en kolonel Shoji greep zijn kans. Ondanks het verbod om de stad aan te vallen brak hij met luchtsteun op 7 maart door de laatste verdedigingsring (Ciaterstelling) van Bandoeng, waarna de KNIL de handdoek in de ring gooide en capituleerde.
De al genoemde luitenant Heshusius had op 2 maart het zware bombardement op de vliegbasis Andir meegemaakt en zich daarna in Bandoeng bij het vechtwagen bataljon gevoegd. Hij was te laat om nog te kunnen deelnemen aan de aanvallen op 2 en 3 maart, maar werd op eigen initiatief benoemd tot plaatsvervangend compagniescommandant van de Marmon Herrington tanks. Op 4 maart voerde hij met een paar lichte tanks nog verkenningspatrouilles uit o.a. naar Poerwarkata waar hij de restanten van de op 3 maart vernietigde colonne kon zijn. Op 6 maart werd hij met de resterende tanks nog ingezet tegen gemelde Japanse parachutisten, maar deze werden niet ontdekt. Op 12 maart werden in Bandoeng de capitulatiepapieren getekend. Betreurenswaardig is dat de gesneuvelden pas eind maart van de Japanners mochten worden geborgen en begraven. De wilde zwijnen en andere roofdieren hadden zich intussen aan de lichamen tegoed gedaan. Ook de tropische temperaturen hadden hun uitwerking niet gemist. Slechts de lichamen in de vechtwagens waren nog enigszins ongeschonden.[42]

Afsluiting

De Mobiele Eenheid van de KNIL was zowel technisch niet opgewassen tegen de Japanners. De lichte tanks bleken te licht bewapend (mitrailleurs) en te licht gepantserd. De Amerikaanse Marmon-Herringtons was technisch kwetsbaar en vielen vaak op de naderingsmars al uit. Er werd zelfs melding gemaakt dat tijdens het rijden onderdelen werden verloren.[43] De VCL’s werden geroemd vanwege hun goede en betrouwbare rupsconstructie en 360 graden draaibare koepel. Wel werd kritiek geuit op het (te) snelle ontbranden van rookwerpers. De hoofdconclusie was dat lichte tanks niet geschikt waren voor tankslagen of zwaardere gevechten, maar uitsluitend voor “verkenningen en verrassingen” gebruikt konden worden. Ook was inzet van tanks zonder begeleidende infanterie zelfmoord.[44] Een gebrek was ook het ontbreken van goede radioapparatuur aan boord van de vechtwagens. De aanwezig radioapparatuur was onbetrouwbaar en veelal niet inzetbaar.
De KNIL was duidelijk niet opgewassen tegen het effectievere Japanse leger en had tekort geschoten bij het uitvoeren van moderne militaire operaties, gekenmerkt door het gevecht van verbonden wapens en het afstemmen van manoeuvre op vuursteun en luchtsteun. Bovendien ontbrak een goed inlichtingen- en verkenningssysteem, waardoor er geen goed beeld over de vijanddispositie was.

Figuur: de autostandaard van Kapitein Wulfhorst

De onverschrokken aanval op Soebang werd overigens breed geroemd. Verscheidene deelnemers aan deze aanval kregen hoge onderscheidingen. Luitenant Cox werd bijvoorbeeld postuum met het Bronzen Kruis onderscheiden. Dezelfde onderscheiding kreeg ook luitenant Christian. Kapt Bakhuys kreeg voor zijn onverschrokken leiding zelfs de Bronzen Leeuw uitgereikt. Bronzen Kruizen gingen verder naar sgt Herrenkauw en de bovengenoemde van Peperstraten, Hansen en Schalker. Ook bij de infanteriecompagnie werden diverse onderscheidingen uitgereikt, o.a. luitenant Reep die hoewel gewond, andere soldaten uit de vuurline sleepte en zelfs een gestrande pantserwagen wist veilig te stellen. De Mobiele Eenheid heeft dus flink van zich afgebeten en is als het ware ‘vechtend’ ten onder gegaan. Diverse leden van de Mobiele Eenheid keerden na de Japanse gevangenschap terug in de KNIL en namen als tankbemanningen deel aan de politionele acties tegen Indonesische opstandelingen. Hun ‘tank’-ervaring in de Indische operationele omstandigheden kwam toen uitstekend van pas en was van aanzienlijke waarde voor de uit het Koude Nederland arriverende eskadrons pantser- en vechtwagens van het Regiment Huzaren van Boreel. De herinnering aan hun dapper optreden houden we daarom graag in ere.

Figuur: een Japanse foto van één van de KNIL tanks die het vliegveld aanviel

Verder lezen:
·       C.A. Heshusius, Eerste Luitenant der Pantsertroepen K.N.I.L, Het gebruik van tanks in Nederlands-Indië. Militaire Spectator, 1947
·       Kol C.A. Heshusius, Cavalerie en tanks in het KNIL… een mini-wapen in een mini leger (deel I en II) VOC Mededelingen, 1985
·       Kol G.H.O. de Wit, Over de Mobiele Eenheid in Nederlands-Indië, reactie op deel 11A van dr. L. de Jong’s ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, VOC Mededelingen,
·       F. Vos. Het pantsermaterieel van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, Militaire Spectator, 1972
·       Cavaleriemuseum, Bernhardkazerne, persoonlijk archief kol bd. C.A. Heshusius
·       The War History Office of the National Defense College of Japan. The Invasion of the Dutch East Indies, Chapter VIII The Invasion of Java.
·       Office of the Chief of Military History Department of the Army, USA Army, The Invasion of the Dutch East Indies, 1945
·       NIMH, Militaire Geschiedenis van Nederland, Deel IV Krijgsgeweld en Kolonie, uitgeverij Boom
·       NIMH, Archieven.nl / documentenserie 508-0338, 508-0339, 508-0362, 508-0379, 508-0387, 508-0397
·       Internet: https://en.wikipedia.org/wiki/Battle_of Kalijati



[1] De eerste pantserwagens hadden een Krupp onderstel en motor maar een pantserchassis van Dok- en Werf-Maatschappij Wilton-Fijenoord N.V. te Schiedam
[2] Er was vliegtuigbrandstof nodig voor deze pantserwagens
[3] C.A. Heshusius, Mil Spect, 1947, pag 348
[4] Sommige bronnen spreken van 24 tanks, maar F. Vos komt op basis van een nummerplaat analyse tot 25 stuks. Behalve aan Nederland was dit type tanks ook aan Rusland, China en Siam (Thailand) geleverd.
[5] Het restant van de bestelling kon niet tijdig geleverd worden en werd volgens bepaalde Engelse bronnen in 1939 in Engeland gehouden om voor opleidingsdoeleinden te worden gebruikt. De gehele oorlog door hebben de tanks als zodanig dienst gedaan; bij de troep stonden zij bekend onder de benaming Dutchman, ook wel als de Light Tank Dutch.
[6] Carel Albert Heshusius werd in de oorlog gevangen genomen door de Japanners. Hij werd na zijn bevrijding uit het Jappenkamp opnieuw ingedeeld bij de cavalerie en was onder meer actief als commandant van het Tweede Eskadron Vechtwagens KNIL, onderdeel van de V-Brigade. Met dit eskadron nam Heshusius onder meer deel aan de opmars van de V-Brigade naar Tegal en Poerwokerto. Heshusius was van 28 maart 1961 tot 6 juli 1964 de 39ste regimentscommandant van het Regiment Huzaren van Sytzama. Hij heeft ook nog in het voorjaar van 1962 de functie van Commanderend Officier Troepen Nederlands-Nieuw-Guinea vervuld. Hij was een zeer begaafd schrijver die als ‘eerste luitenant der Pantsertroepen KNIL’ veel publiceerde over de oorlogvoering met tanks in Nederlands Indië. Alle opbrengsten van zijn artikelen en boeken stelde hij hierbij ter beschikking aan het onderhoud van de Nederlandse oorlogsgraven in Indonesië. Hij heeft in 1976 als kolonel de dienst verlaten maar niet voordat hij voor zijn verdienste benoemd was tot officier in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden.
[7] C.A. Heshusius, Mil Spect, 1947, pag 350
[8] De drie uitgezonderde lichte tanks werd voor vliegveldbewaking in West-Borneo gebruikt. Ibid pag 516
[9] NIMH, Militaire Geschiedenis van Nederland, Deel IV Krijgsgeweld en Kolonie, Uitgeverij Boom, pag 281
[10] NIMH, pag 287
[11] War History Office Japan, pag 458
[12] NIMH, pag 288
[13] NIMH, pag 290
[14] De gevechtsgroep Shoji bestond uit twee bataljons van het 230 Infanterie Regiment, een afdeling Berg artillerie (minus één batterij), een geniecompagnie, een antitank bataljon (minus twee compagniën), een luchtverdedigingsbatterij, twee specialistisch genie compagnieën, een compagnie lichte tanks, een brugslagpeloton, een transportcompagnie en een speciaal vliegveldbataljon. Bron: Office of USA History Department, pag 15
[15] War History Office Japan, pag 494
[16] War History Office Japan, pag 496
[17] Military History Department of the USA Army, pag 40
[18] War History Office Japan, pag 539
[19] NIMH, pag 292 en 293
[20] De verdediging van het vliegveld bestond uit een KNIL infanterie compagnie (o.l.v. lkol Zomer) aangevuld met de zojuist gearriveerde aflossing van 350 Britse militairen, waaronder Air Force troepen en luchtverdedigingsgeschut. Het gemak waarmee het vliegveld door de Japanners kon worden veroverd is dus opvallend. De oorzaak is de afwezigheid van anti-tank geschut en zware regenval die de onderlinge communicatie verhinderden. Na afloop van de strijd executeerden de Japanners 80 gevangengenomen Britten en Nederlanders!
[21] Soms ook geschreven als Kalidjati
[22] De compagnie vechtwagens stond o.l.v. kapitein Bakhuys. De infanteriecompagnie werd gecommandeerd door kapitein Brendge Bron: NIMH archieven.
[23] Dr. L. de Jong spreekt in De Bezetting van 20 lichte tanks, waarvan er, nog vóór de strijd begon, 8 uitvielen met mechanische defecten als gevolg van het intensieve gebruik
[24] Heshusius, pag 517
[25] NIMH archieven, gevechtsverslag kap Wulfhorst , 508-0338-0016
[26] Dit waren de brigadiers (korporaals Weidema, Crooy, De Klerk, Klaver en de fusilier Schouw, NIMH archieven 508-0387-0005 en 0006
[27] Kol De Wit, pag 27
[28] War History Office Japan, pag 542
[29] Volgens Japanse bronnen waren er maar “one mountain gun, one antitank gun and two machine guns” aanwezig. Ze vermeldden tevens 12 stuks uitgeschakelde KNIL tanks en pantservoertuigen. War History Office Japan, pag 542
[30] NIMH archieven, 508-0338-0006
[31] NIMH archieven, 508-0379-0001 (gevechtsverslag kapt Wulfhorst)
[32] Andere bronnen: Dutch forces had lost at least 14 killed with a further 34 missing, with 13 of their tanks destroyed and 5 heavily damaged. The Japanese had suffered at least 20 killed.
[33] War History Office Japan, pag 542
[34] NIMH archieven, 508-0338-0005
[35] Lnt Cox en smi Verboekend kwamen bij deze actie om het leven. De lnt Christian werd door de Japanners gevangen genomen.
[36] NIMH archieven, 508-0338-0013 t/m 508-0338-0015
[37] NIMH archieven 508-0387-0007
[38] Military History Department of the USA Army, pag 41
[39] War History Office Japan, pag 511
[40] NIMH, pag 294
[41] Military History Department of the USA Army, pag 42
[42] Kol de Wit, pag 28
[43] Heshusius, pag 518
[44] Heshusius, pag 518

Plaats een reactie

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!