Tankslag bij Chawinda 1965

Door: kolonel Hans van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel

Er is relatief weinig bekend over de tankslag bij Chawinda in de Tweede Pakistan-India oorlog van 1965. In deze meerdere dagen durende tankslag in de Punjab vochten Indiase en Pakistaanse tankdivisies tegen elkaar. Het was de grootste tankslag sinds de gevechten bij Koersk in de Tweede Wereldoorlog. Ten opzichte van de tankslagen aan het Oostfront in de Tweede Wereldoorlog en de tankgevechten bij de Israëlisch-Arabische oorlogen, heeft deze tankslag destijds weinig aandacht gekregen in de westerse media. Met dit artikel wil ik deze leemte enigszins op te vullen. Allereerst schets ik de strategische context en geef ik een beeld van het weer en het terrein, waarna ik in ga op de gevechtskrachtverhoudingen, de uitgangsposities van Pakistan en India en hun gevechtsplannen. Daarna beschrijf ik het verloop van de tankgevechten om te eindigen met enkele waarnemingen en conclusies.

Strategische context

In 1947 vond onder leiding van Viceroy Lord Mountbatten de scheiding plaats van Brits-Indië in twee staten, namelijk Pakistan en India. Deze scheiding ging niet zonder bloedvergieten en zowel aan Hindoe- als Moslimzijde was er sprake van verdrijving met geweld van ‘andersgelovigen’. Beide landen lijfden ook snel kleinere deelstaatjes in die poogden hun autonomie of zelfs hun zelfstandigheid te bewaren. Zwaardere gevechten braken uit in Kashmir toen Pakistan zich niet neerlegde bij de keuze van de Hindoe-heerser van Jammu-Kashmir om zich bij India aan te sluiten, ondanks dat grote delen van zijn bevolking moslim waren. Pakistaanse irreguliere strijders overliepen in 1948 het noorden en westen van Kashmir, waarna ze werden teruggedreven door het embryonale Indiase leger. Het Indiase tegenoffensief was dusdanig succesvol dat het eveneens embryonale Pakistaanse leger tussenbeide moest komen om de Indiase veroveringen te stoppen. In grote lijnen is de destijds bereikte bestandslijn nog altijd de huidige scheidslijn tussen de wederzijdse invloedsgebieden. Hoewel de strijd om Kashmir in 1948 zich destijds niet uitbreidde tot de meer zuidelijke gebieden (Punjab, Sindh) was wel duidelijk dat een volgende oorlog een uitgebreider karakter zou krijgen.
Article content
Onderhandelingen bij de scheiding van Brits-Indië in 1947. V.l.n.r. Jawaharlal Nehru (India), Lord Ismay, Viceroy Lord Mountbatten en Muhammed Ali Jinnah (Pakistan).
Beide landen bewapenden zich in de jaren vijftig in een hoog tempo. Beide legers waren op Britse leest geschoeid, maar Pakistan verzekerde zich van Amerikaanse steun door toe te treden tot zowel het SEATO pact als het CENTO-pact, de Midden-Oosten equivalent van de NAVO.[1] India had meer moeite met het verkrijgen van militaire steun en moest het doen met zowel Westers militair materiaal als uitrusting en voertuigen van Sovjetmakelij. Terwijl Pakistan succesvol was met het vormen van haar militaire macht, had India de nodige interne problemen. Het land worstelde met haar internationale image van ‘niet-gebondenheid’ en ‘vredelievendheid’ versus de bedreigen aan haar grenzen. Een oorlog met China in 1962 (zowel ten oosten bij Bhutan als in de Himalaya hoogtegebieden ten oosten van Kashmir en Lagdakh), eindigde in een forse nederlaag voor India.

In 1958 had intussen de Pakistaanse generaal Muhammad Ayub Khan de macht in Islamabad gegrepen. Hij greep de Indiase nederlaag tegen China in 1962 aan om een grensovereenkomst met China rond de betwiste grens in noord-Kashmir te sluiten. Dit tot grote woede van India.
Pakistan besloot vervolgens de Indiase militaire reacties te testen door een tweetal kleinere militaire acties. Op januari 1965 werd een beperkt offensief gestart in de Rann van Kutch (een zoutmoeras gebied in het door India bezette deelstaatje Gujarat in het Sindh gebied). Dit offensief heette ‘Operation Desert Hawk’. India reageerde met het sturen van versterkingen, waardoor de grensschermutselingen uitgroeiden tot kleine gevechten. Pakistan behield de overhand en op 19 april werd zelfs Biar Bet veroverd en werden twee Indiase brigades vernietigd voordat de internationale gemeenschap een wapenstilstand afdwong. Dit Pakistaanse succes brachten de militaire hoofden in Islamabad op hol, waar over de gevechtswaarde van het Indiase leger geringschattend werd gedaan. Internationale bemiddeling deed het Pakistaanse leger later terugtrekken.


Article content
Indiase soldaten nemen posities in.

Intussen had in augustus de Pakistaanse president Ayub Khan inmiddels duizenden Pakistaanse guerrilla’s hernieuwd Kashmir in gestuurd om de bevolking tot opstand te bewegen.[2]  Deze actie heette ‘Operation Gibraltar’. Ayub Khan ‘gokte’ dat de gevechten tot Kashmir beperkt zouden blijven, iets wat uiteindelijk een grove misrekening zou zijn en hem uiteindelijk in 1969 het presidentschap zou kosten. De Verenigde Staten reageerden op de Pakistaanse acties door de militaire hulp stop te zetten en een economisch embargo in te stellen. De Pakistaanse actie mislukte en het Indiase leger wist het gros van de infiltranten te arresteren of terug te jagen.
Op 1 september 1965 werd als tweede een beperkt offensief ingezet in de Chamb/Akhnur sector in het zuiden van Jammu-Kashmir. Dit heette ‘Operation Grand Slam’. De operatie was bedoeld om een Indiase bevoorradingsroute naar Kashmir af te snijden. De aanvallende Pakistaanse troepen[3] hadden een groot numeriek overwicht en de Indiase troepen trokken zich terug. Het Pakistaanse leger had in vier dagen 30 km terreinwinst geboekt, weliswaar met de nodige moeite, en bijna Aknur bereikt. Een wisseling in de Pakistaanse bevelsketen bracht een gevechtspauze van een dag, waarvan het Indiase leger gebruikt maakte om versterking aan te voeren. Op 6 september opende India een nieuw front, meer zuidelijker in de Punjab en kwamen de gevechten bij Chamb/Akhnur tot stilstand.

Weer en terrein

De rest van de gevechten van de oorlog in 1965 kenmerkten zich door een groot tegenoffensief van India in de Punjab met verdedigende acties van Pakistan. Punjab vormt de vlakte van de rivieren Indus, Jhelum, Ravi, Beas, Chennab en Sutlej. Al deze rivieren brengen smeltwater uit de Himalaya mee waarmee het gebied geïrrigeerd kan worden. Punjab staat daarom bekend als de graanschuur van India. Zowel in India als in Pakistan vormt de Punjab een van de welvarendste delen van het land. Het gebied is erg vlak, doorsneden met vele waterlopen en een intensief complex van aangelegde irrigatie-en afvloeiingskanalen. Het gebied wordt bewoond door Sikhs, van oudsher een strijdbaar volk die hun autonomie en onafhankelijkheid tegen de Mogols en Britse overheersers tevergeefs probeerden te verdedigen. Landbouw is de voornaamste bron van inkomsten, met hier en daar veeteelt. Bij de opdeling van Brits-Indië werd de Punjab in een Indiaas en Pakistaans gedeelte opgesplitst. In de zomer is het erg warm en kan de temperatuur oplopen tot 45° C. De moesson periode is overigens van juli tot september.


Article content
De omstreden gebieden van Jammu-Kashmir en de Punjab.


Gevechtskrachtverhoudingen

Zowel Pakistan als India hadden in de voorafgaande jaren hun defensie-budgetten opgeschroefd. Het Indiase leger bestond uit 870.000 man verdeeld over ongeveer 20 divisies. Hiervan waren er 10 aan de grens met Pakistan gelegerd, waaronder de enige pantserdivisie. Pakistan had 7 divisies, waarvan er twee gepantserd waren. Alle Pakistaanse divisies lagen aan de Indiase grens zodat de gevechtskrachtverhoudingen relatief overeenkwamen. In 1965 had het Indiase leger 584 tanks (186 Centurions, 308 Shermans en 90 AMX-13). Alle Centurions waren geconcentreerd ondergebracht in de 1e Pantserdivisie, samen met een aantal Shermans. Het Pakistaanse leger had qua tanks een numeriek overwicht met 886 tanks en tankdestroyers (230 M47 Pattons, 202 M48 Pattons, 308 Shermans en 96 Chaffees). Deze tanks waren voornamelijk verdeeld over de 1e Pantserdivisie en de in oprichting zijnde 6e Pantserdivisie, die elk twee tankbrigades met drie tankregimenten hadden. De Centurion was superieur aan de Patton. Haar krachtiger kanon en lager profiel wogen ruimschoots op tegen de snellere, lichtere maar moeilijk te bedienen Patton tank. Op artilleriegebied hadden de Pakistani’s een numeriek overwicht maar in de lucht slechts een technisch overwicht.


Article content
India bezat in 1965 o.m. 90 AMX-13 tanks van Franse makelij.


Article content
Pakistan bezat meer dan 430 Patton tanks van Amerikaanse makelij.


Gevechtsplannen

Op 6 september startte het Indiase leger het tegenoffensief door middel van ‘Operatie Riddle’. Het Indiase opperbevel plande om met twee korpsen Pakistan binnen te vallen. Het I Korps, onder leiding van luitenant-generaal Dunn moest in het noorden aanvallen op de as vanuit Sialkot en Chawinda naar Wazirabad en Guajranwala, terwijl het XI Korps, onder leiding van luitenant-generaal Dhillon meer naar het zuiden vanuit de omgeving van Amritsar richting Lahore moest aanvallen. Het I Korps bestond uit de 14e, 25e en 26e Infanteriedivisie, 6e Bergdivisie met Pantserdivisie in reserve. Het XI Korps bestond uit de 7e en 15e Infanteriedivisie, 4e Bergdivisie met de 2e Pantserbrigade in reserve. Het plan voor de Indiase tegenaanval was al gedurende de Rann of Kutch schermutselingen ontwikkeld. De hoofddoelstelling van het Indiase tegenoffensief was om het aanvalspotentieel van Pakistan te vernietigen en niet om terrein of steden te veroveren.  De aanval van het XI Korps in het zuiden werd een dag eerder gestart om Pakistaanse tankeenheden in het zuiden te binden, terwijl de hoofdaanval een dag later in het noorden door I Korps zou worden gestart.


Article content
Uitgangsposities van de Indiase en Pakistaanse eenheden op 6 september 1965.

Pakistan verdedigde zich in het noorden met drie infanteriedivisie (7e, 12e en 15e) en in het zuiden met twee infanteriedivisies (10e en 11e). Pakistan had twee tankdivisies in een reserverol gereed, namelijk de 6e Pantserdivisie in het noorden en de 1e Pantserdivisie in het zuiden. Beide pantserdivisies waren wel dichter naar de grens aangetrokken. Met het machtsvertoon nabij de grens hoopten de Pakistani’s  India ervan te weerhouden Oost-Pakistan (nu Bangladesh) aan te vallen.

Tankslag bij Assal Uttar (zuidelijke sector)

In de vroege ochtend van 6 september opende het XI Korps de aanval in het zuiden, maar had na een dag vechten de Pakistaanse verdediging nog niet doorbroken. Uit onderschepte papieren van een Indiase koerier bleek dat de Indiase pantserdivisie (IND 1e PaDiv) in het noorden was gepositioneerd, waardoor de Pakistaanse legerleiding besloot om haar eigen pantserreserves (PAK 1e PaDiv) nog niet compleet in te zetten voor tegenaanvallen, temeer omdat het terrein in het zuiden niet erg geschikt was voor grotere tankmanoeuvres. Wel werd de 5e Pantserbrigade (PAK 5e PaBrig) aan de verdedigende troepen ter beschikking gesteld. Op 7 september begonnen de Pakistaanse tegenacties en werd een bruggenhoofd gevormd, waarna de uitbraak volgde over twee assen met elke een combinatie van een tankregiment en gemechaniseerd infanteriebataljon. Een derde tankregiment en derde gemechaniseerd infanteriebataljon werden in reserve gehouden. Na aanvankelijk succes herpakten de Indiase verdedigers zich en konden zich opnieuw ter verdediging inrichten in de rand van Asal Uttar. Een Pakistaanse poging om deze verdediging zuid te omtrekken met een tankregiment werd gestopt bij Rattoke. Ook een noordelijke omtrekkingspoging op de volgende dag (8 september) werd gestopt na zware tankgevechten met verliezen aan beide zijden. Pakistaanse infanterie werd opgehouden door noodzakelijke zuiveringsacties en kon de Pakistaanse tankeenheden niet bijbenen. Een Pakistaanse nachtelijke tankaanval liep vast in Indiaas artillerie en antitank-vuur van infanterie.


Article content
Gevechten om Assal Uttar.


De volgende dag trokken de Indiërs hun zuidelijke tankreserve (2e IND PaBrig) vanuit Amritsar aan en stelden deze onder bevel van de commandant van de Indiase 4e Bergdivisie (IND 4e BergDiv). Ook werd de verdedigingslinie tussen Khem Karan en Assal Utar versterkt met extra eenheden en mijnenvelden. De Pakistani hadden intussen een tweede pantserbrigade (PAK 4e PaBrig) aangetrokken die meerdere tankaanvallen uitvoerden op de flanken van de Indiase opstellingen. Deze aanvallen werden door inzet van mobiele Indiase tankeenheden gestopt. Maar de hevigheid en agressiviteit van de Pakistaanse aanvallen in combinatie met ineenstortend Indiaas moreel[4], deed de korpscommandant besluiten zich terug te trekken op de rand van Assal Utar en zijn eenheden te mengen.

De Pakistaanse successen in deze sector begonnen gevaarlijke vormen aan te nemen. Het gebrek aan lokale Indiase reserves betekende dat een Pakistaanse doorbraak in de Assal Utar sector direct een grote bedreiging voor de stad Nieuw Delhi opleverde en de potentiële flankbedreiging voor het meer naar het noorden opererende Indiase I Corps. De Indiase troepen groeven zich verbeten in en trokken alle direct beschikbare eenheden aan. Ze mengden in de verdedigingslinies tank- en infanterie-eenheden en hielden een tankregiment in reserve. Ook probeerden ze door middel van inundaties ‘kill zones’ te creëren. Op 10 september zette Pakistan een zware aanval in ten noorden van Assal Utar. Deze aanval werd afgeslagen, voornamelijk omdat Indiaas artillerievuur de Pakistaanse infanterie kon stoppen, gevolgd door een flankaanval door een Indiaas tankbataljon. Een nog groter omtrekkingspoging richting Mahmudpura van een compleet Pakistaans tankbataljon eindigde in een tank-tank gevecht met een ‘onderscheppend’ Indiaas tankbataljon. Het Pakistaans tankbataljon had overigens zwaar te lijden gehad van Indiase infanterie ‘tankhunter’ teams die moeilijk te lokaliseren waren in het lange suikerriet gras. Het Pakistaanse tankbataljon bereikte haar aanvalsdoel, maar contact met de volgende infanterie-eenheden en PAK 4e PaBrig ging verloren. Brandstoftekort en omsingeling betekende dat dit Pakistaanse tankbataljon zich op 11 september begon over te geven. Intussen had op de voorafgaande dag (10 september) een Indiase verrassingsaanval een tweetal Pakistaanse infanteriebataljons weten te verrassen en grote verliezen te weeg gebracht.

Article content
Oprukkende Indiase Sherman tankeenheid met infanterie ondersteuning.

De Pakistaanse zware tegenaanval van de PAK 1e PaDiv was tot stilstand gekomen, hoewel natuurlijk ook het Indiase oorspronkelijke offensief was mislukt. Zes Pakistaanse tankregimenten waren verslagen met 97 uitgeschakelde tanks, waaronder 72 Pattons, tegenover 12 vernietigde Indiase tanks.[5] India had wel aanzienlijke infanterieverliezen geleden.

Tankslag bij Chawinda (noordelijke sector)

Het zwaartepunt van het Indiase offensief lag in het noorden. Hier begon een dag later in de nacht van 7 op 8 september het Indiase I Korps het offensief. De hoofddoelstelling was om de snelweg nabij Wazirabad af te snijden en Jassoran te veroveren. Dit verzekerde Indiase controle over de Sialkot-Pasrur spoorlijn, waardoor een belangrijk Pakistaanse bevoorradingslijn naar het noorden zou zijn afgesloten.
Nadat een infanterie-eenheid een gat in de Pakistaanse defensie had geslagen lanceerde IND 1e PaDiv haar aanval met een tankbataljon en bedreigde Sialkot. Ondanks zwaar Pakistaans artillerievuur kon het Indiase bruggenhoofd standhouden. Pakistan reageerde onmiddellijk en zond delen van de nog in oprichting zijnde PAK 6e PaDiv naar voren, waaronder het belangrijke 25e Cavalerieregiment (25 CavReg), onder leiding van luitenant-kolonel Nisar Ahmed Khan. De commandant van de IND 1e PaDiv maakte echter de fout om zijn tankeenheden divergerend uit te laten zwermen. Hierdoor kon er geen zwaartepunt worden gevormd en liep de Indiase opmars na 7 km aan het eind van 8 september vast op de taaie Pakistaanse verdediging door uitstekend tactisch optreden van het PAK 25e CavReg. Pakistan had op deze dag in totaal 20 tanks verloren en India 12.
Er werd op 9 en 10 september relatief veel tijd verloren door de Indiase troepen door miscommunicatie en ‘gelaten’ optreden van hogere officieren. De Pakistani’s realiseerden zich de Indiase dreiging in Sialkot en maakten gebruik van de Indiase lethargie. Ze brachten snel een tweede tankregiment van de PAK 6e PaDiv vanuit Chamb/Akhnur naar de bedreigde sector.
Terwijl Pakistaanse eenheden tegenaanvallen uitvoerden om de opmars van de Indiase tankeenheden naar Phillora te stoppen, probeerde Indiase tankeenheden vervolgens een opening te vinden nabij Rurki Khurd (meer naar het noorden). Het Indiase plan was nu om met één tankbrigade een frontale nevenaanval uit te voeren om Pakistaanse troepen te binden, om vervolgens met twee tankbrigades via een opening ten noorden van de Pakistaanse troepen deze te omsingelen.

Article content
Gevechten om Chawinda op 11 september 1965.

Op 11 september vochten Indiase en Pakistaanse tankeenheden hevige duels uit, waarbij beide partijen met regimentsgrootte tankaanvallen openingen in elkaars linies probeerden te vinden. De Indiase eenheden hadden numeriek overwicht en wisten stukje voor stukje, felle tankgevechten leverend, Phillora te naderen. Hoewel de Pakistaanse troepen met artillerievuur aanzienlijke verliezen toebrachten aan de volgende Indiase gemechaniseerde infanterie, verloren ze in de onderlinge tank duels meer tanks dan de Indiërs.
Rond het middaguur waren de Pakistani’s gedwongen om zich terug te trekken van Phillora naar Chawinda. Deze terugtocht verliep onder vijanddruk desondanks geordend. Zowel Phillora als het meer noordelijk gelegen Libbe waren nu in Indiase handen. De Pakistani’s voerden ook in de meer achterwaarts gelegen linie een actieve verdediging, waarbij steunpunten door infanterie waren bezet en tussendoor korte eskadronsgrootte tegenaanvallen met tanks werden uitgevoerd. Zowel aan Pakistaanse kant als aan Indiase kant liepen de tankverliezen op, met wederom de meeste tankverliezen aan Pakistaanse kant (67-75 tegenover 30-45 tanks). De reden hiervoor was dat de individuele Indiase tankbemanningen beter schoten en beter manoeuvreerden met hun tanks. Dit in combinatie met beter leiderschap van de officieren op eskadronsniveau. Lang suikerriet bemoeilijkte overigens het behouden van verband en overzicht, zodat gevechten vaak op individuele tankbemanningen neerkwamen. Temeer omdat individuele tanks niet over kaarten beschikten.
De Pakistani’s gebruikten de rest van 11 september om hun eenheden te reorganiseren. Ook versterkten ze PAK 6e PaDiv met een derde tankbrigade, overgebracht vanuit de PAK 1e PaDiv in het zuiden.[6] Op 12 september braken er ten noorden van Chawinda zware gevechten uit. In de vroege ochtend lanceerden de Indiërs om 06.00 uur en 09.00 uur twee zware aanvallen die allebei werden afgeslagen. Om 15.00 uur begonnen de Indiërs een meer methodische opmars met een gecombineerde tank-infanterie eenheid vanuit Kalewali via Sainewali richting Chawinda. Deze hoofdaanval werd op 13 september ondersteund door een westelijke nevenaanval met tanks in een poging Chawinda te omtrekken. Felle Pakistaanse tegenaanvallen en zwaar artillerievuur slaagden er in de Indiase aanvallen te stoppen en de Indiase terreinwinst te beperken. De linies lagen net voorbij Phillora.

Article content
Een Indiase Centurion tank rijdt het Pakistaanse oord Phillora binnen.

Op 14 september probeerden de Indiërs het opnieuw, maar stuitten ditmaal op een sterke antitank gordel net zuid van Phillora. Opnieuw probeerden ze het met sterke westelijke omtrekkingspogingen, maar telkens liepen die vast in felle tankgevechten met Pakistaanse eenheden. Aan het einde van de dag was wel Kalewali veroverd, maar lag Chawinda nog ver buiten bereik. Na aanvoer van tankversterkingen probeerden de Indiërs op 15 september opnieuw Chawinda te veroveren, maar de Pakistaanse verdediging hield stand, vooral door het uitstekend optreden van het Pakistaanse 25e Cavalerieregiment. Ook voerde de Pakistani’s twee onafhankelijke infanteriebrigades uit de Kashmir aan. Het grootste aantal tankverliezen lag nu aan Indiase kant.

Op 16 september lanceerde India drie grote goed gecoördineerde aanvallen op Bedian en Chawinda, van 07.30 tot 10.30 uur, van 12.30 tot 14.30 uur en van 16.30 uur tot invallen duisternis. Door de aanvallen van de vorige dag in combinatie met deze serie aanvallen begon de Pakistaanse infanterie te breken en vluchtte deels weg. Hierdoor konden Indiase troepen rond 10.00 uur Jassoran veroveren (direct ten westen van Chawinda). Ook het meer zuidelijk gelegen Butur Dograndi viel in handen van de Indiërs en Chawinda dreigde afgesneden te worden. Hoewel Bedian behouden kon worden, verzocht de plaatselijke Pakistaanse commandant om Chawinda los te mogen laten. Dit werd hem geweigerd. Hoewel Bedian en Chawinda in Pakistaanse handen bleven, hadden Indiase eenheden dus een grote deuk bevochten tussen de beide steden. Bij invallen duisternis slaagden de Pakistani’s erin om door middel van artillerievuur en tankaanvallen met grote moeite de Indiase opmars te stoppen, waarin weer PAK 25e Cavalerieregiment,[7] nu samen met haar zusterregiment PAK 24e Cavalerieregiment zich onderscheidden bij de verdediging van Chawinda. Tankeenheden van de aangevoerde brigades van de PAK 1e PaDiv voerde intussen het beweeglijke verdedigende gevecht in het open terrein ten westen van Chawinda.

Article content
Vuursteun door Indiase artillerie-eenheden.

India herpositioneerde in de nacht van 16 op 17 september haar troepen, waarbij infanteriebrigades de opdracht kregen om Chawinda en Dedian aan te vallen, terwijl de tankeenheden meer naar het westen in het open terrein moesten aanvallen. Pakistan voerde intussen nog meer tankversterkingen uit het zuiden aan. Vrijwel de gehele PAK 1e PaDiv was nu vanuit het zuiden gearriveerd. Dit kostte echter tijd en de 17e september was een relatief kalme dag. Op de 17e september werden er wel lange afstand tank duels uitgevochten, maar vonden er geen grotere manoeuvres plaats. Wederzijdse kleinere tankaanvallen werden door beide partijen relatief eenvoudig afgeslagen.

Beide partijen waren min of meer uitgeput. Pakistan had nauwelijks reserves en munitie meer en India had grote verliezen geleden, vooral onder haar infanterie. Op 21 september trokken de Indiase troepen terug naar hun oorspronkelijke bruggenhoofd bij Phillora. Voorstellen van Pakistaanse officieren om een sterke tegenaanval in te zetten, ‘Operation Windup’, werden niet geautoriseerd vanwege de geleden tankverliezen en de op handen zijnde wapenstilstand door internationale bemiddeling. Op 22 september riep de VN Veiligheidsraad op tot een staakt het vuren. Beide partijen accepteerden de wapenstilstand en op 23 september eindigde de oorlog. In januari 1966 werd in Tashkent de vrede getekend en gaf India al haar veroverde gebieden terug aan Pakistan.

Waarnemingen en conclusies

Aan beide zijden was er sprake van onvolkomenheden in het militaire systeem. De Pakistani’s lieten hun militair beoordelingsvermogen misleiden door een onterechte minachting voor de Indiase vechtersmentaliteit maar wisten wel snel en adequaat te reageren met brigadegrootte eenheden. Het Indiase leger had haar moreel op orde, maar wist het strategische verrassingsvoordeel niet om te zetten in een daadkrachtig, goed gecoördineerd operationeel optreden. De Indiase generaals hadden moeite om het optreden van brigadegrootte eenheden te coördineren en op elkaar af te stemmen. Plannen waren dan ook meer gebaseerd op bravoure en emotie en niet op gevechtsveldrationaliteit. Dit resulteerde in onnodige verliezen.

Ook klopte aan Indiase zijde de ‘spirit of command’ niet. Generaals waren nauwelijks betrokken en bleven fysiek op een te grote afstand van het slagveld. Er was bijvoorbeeld ook geen enkel onderling contact tussen de commandanten van de IND 1e PaDiv en IND 6e BergDiv, die beiden in hetzelfde operatiegebied vochten. Tankeenheden van de IND 1e PaDiv hadden diverse kansen op het uitbuiten van gevechtsveldsucces, maar trokken zich bij het invallen van de duisternis elke keer terug in achterwaarts gelegen ‘rest-over-nights’, waardoor de Pakistaanse verdediging zich kon herstellen en versterkingen kon aanvoeren. Na de val van Phillora op 11 september had bijvoorbeeld relatief eenvoudig de Indiase aanval voortgezet kunnen worden op het openliggende Chawinda.

Aan Pakistaanse zijde waren commandanten scherper en toonden men meer agressiviteit en initiatief. Een voorbeeld hiervan is de commandant van het PAK 25e CavReg (luitenant-kolonel Nisar Ahmed Khan) die op 12 september een tegenaanval uitvoerde op de Indiase 1e PaBrig met alle tanks op linie, waardoor de Indiërs dachten dat ze met twee tankregimenten te maken hadden. Pakistan had ook effectievere artillerie, waarbij met name brigade-generaal Amja Chaudhry (commandant 4e Korpsartillerie brigade) een beslissende rol speelde. Overigens werd tijdens de slag nog een verhit debat gevoerd onder de Pakistaanse generaals of de artillerie geconcentreerd moest blijven of verdeeld over de respectievelijk frontbrigades. Uiteindelijk bleef de artillerie onder centrale controle van de commandant van de korpsartillerie.

Article content
Vernielde M47 Patton tanks na de gevechten om Chawinda.

Aan beide zijden liet de grond-lucht coördinatie ernstig te wensen over. Luchtaanvallen werden sporadische uitgevoerd, vrijwel altijd op gefragmenteerde gelegenheidsdoelen en niet in samenhang met de situatie op de grond. De meeste lucht-inzet was onderlinge counter-air, waardoor unieke kansen op air interdiction op wederzijdse tankeenheden werd gemist en potentieel operationeel voordeel niet werd behaald.

Het inlichtingenproces klopte aan beide zijden ook niet. Zowel op tactisch niveau als op strategisch niveau liet de situational awareness te wensen over. Indiase inlichtingenorganisaties hadden bijvoorbeeld geen benul van de Pakistaanse infiltraties in de Kashmir, de Pakistaanse concentratie bij Chamb/Akhnur en ook geen idee van de locaties van de twee belangrijkste Pakistaanse divisies, de PAK 1e PaDiv en PAK 6e PaDiv.  Maar ook de Pakistaanse inlichtingendienst faalde, waarschuwde niet voor de ophanden zijnde Indiase offensieven en wist ook niet waar de IND 1e PaDiv zich ophield.

Beide partijen leden zware verliezen. Pakistan had 144 tanks verloren en India ongeveer 180, maar deze getallen variëren afhankelijk van de bronnen. De oorlog was feitelijk onbeslist geëindigd, maar bleef niet zonder gevolgen op de langere termijn. Pakistan had een deuk opgelopen in haar vermeende militaire superioriteit en mislukte infiltraties in Kashmir en India had haar twee offensieven zien vastlopen in zware Pakistaanse tegenstand. De Pakistaanse militaire teleurstelling beëindigde enkele jaren later het regime van Ayub Khan. India haalde op haar beurt voldoende morele kracht uit deze oorlog door in 1971 een offensief te beginnen en Oost-Pakistan (Bangladesh) te bevrijden van Pakistaanse overheersing, waarbij een Pakistaans tegenoffensief op haar westgrens vrij gemakkelijk kon worden gestopt. Beide partijen beseften toen dat een hernieuwde zware oorlog in de Punjab niet tot een doorbraak zou lijden en alleen maar zou resulteren in zware nutteloze verliezen. Kortom: India en Pakistan bleven militair gezien elkaar in evenwicht houden. Gezien de grote belangen en (de latere) nucleaire mogelijkheden, is dat misschien maar beter ook.

Article content
Indiase Centurion tanks rukken op


Bronnen

Arjan Subramaniam – India’s War, A Military History  1947-1971, Naval Institute Press, Annapolis, Maryland, 2017
David R. Higgins – M48 Patton vs Centurion, Indo-Pakistani War 1965, Osprey Publishing, 2016
https://www.youtube.com/watch?v=wZZjfbyswL0 https://www.youtube.com/watch?app=desktop&feature=youtu.be&v=wfyiGh4VNQ0
https://en.wikipedia.org/wiki/Operation_Gibraltar
https://en.wikipedia.org/wiki/Operation_Grand_Slam
https://www.indiatimes.com/news/india/when-indo-pak-armies-met-at-rann-of-kutch-leading-to-operation-gibraltar-and-1965-war-263845.html
https://en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Asal_Uttar
https://en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Chawinda
https://www.warhistoryonline.com/history/battle-chawinda-largest-tank-battle-since-wwii.html
http://www.defencejournal.com/2001/mar/chawinda.htm


[1] De Central Treaty Organisation (CENTO), stond oorspronkelijk bekend als het Baghdad Pact. Deze militaire alliantie stond in het teken van de Koude Oorlog en werd in 1955 gevormd tussen Iran, Irak, Pakistan, Turkije en Groot-Brittannië. De Verenigde Staten traden een paar jaar later toe en Irak trok zich later terug. De CENTO werd in 1978 opgeheven. De Southeast Asia Treaty Organisation (SEATO) werd in 1954 opgericht en bestond uit Australië, Filipijnen, Frankrijk, Nieuw-Zeeland, Pakistan, Thailand, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. De SEATO werd in 1977 opgeheven.
[2] Dit deed hij overigens op advies van de ambitieuze minister van buitenlandse zaken Zulfikar Ali Bhutto.
[3] 12 Infanteriedivisie met twee tankbataljons.
[4] Vier van de infanteriebergbataljons van IND 4e BergDiv hadden intussen hun gevechtswaarde verloren.
[5] De gemelde verliezen variëren natuurlijk naargelang de belangen van de partijen, maar alle bronnen duiden op aanzienlijk grotere Pakistaanse tankverliezen. Overigens was ook de Pakistaanse divisiecommandant om het leven gekomen bij de bovengenoemde Indiase infanterie verrassingsaanval op de 10 september.
[6] Later werd ook een vierde tankbrigade van de PAK 1e PaDiv naar het noorden gestuurd. Pakistan bereikte hierdoor een numeriek tank overwicht met negen tankregimenten (vijf Patton, drie Sherman en één Chaffee) tegen drie Indiase tankregimenten (één Centurion en twee Sherman (verbeterd)).
[7] De 25e Cavalerie kreeg de eretitel ‘Men of Steel’ verleend door generaal Musa Khan en werd de meest gedecoreerde eenheid tijdens één actie van het Pakistaanse leger.

Plaats een reactie

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!