Door: Kolonel bd. J.A. van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel

Het is belangrijk om oude Cavalerie regimenten die niet meer bestaan maar toch een belangrijke rol hebben gespeeld in de vaderlandse geschiedenis, een plaats te geven in de digitale geschiedenis van tegenwoordig.
Daarom een artikel over het 4eRegiment Dragonders.[1]
Een regiment wat op de slagvelden van Waterloo en Kermpt heeft gestreden, de strijd in het centrum van Brussel meemaakte en met roem overladen werd, maar desondanks in 1843 werd opgeheven.
Dit regiment is een ANDER regiment dan het latere Regiment Dragonders No 4 , zoals het Regiment Huzaren van Boreel van 1848-1867 werd genoemd.
Maar omdat de eerdere 4e regiment Dragonders wel samen met het Regiment Huzaren van Boreel (destijds Regiment Hussaren No. 6) heeft gestreden verdient het een plaats in onze digitale geschiedenis.
Vorming van het regiment en de eerste gevechten
In december 1813 kreeg majoor C.F. Von Staedel[2] mondeling de opdracht om een ‘regiment ligte cavalerie’ in Amsterdam op te richten. Op 9 januari 1814 werd de samenstelling van het nieuwe Nederlandse leger bepaald en kreeg het nieuwe cavalerie regiment een plaats in de slagorde. Tegelijkertijd werd bepaald dat luitenant-kolonel C.G. Jhr Barchman Wuijtiers de leiding over het regiment kreeg. De staf van het regiment en twee eskadrons werden in Utrecht gelegerd, terwijl majoor Von Staedel met de twee andere eskadron in Amsterdam een locatie kreeg. De naam werd vastgesteld als: ‘2e Regiment Ligte Dragonders’ (RD2). Het regiment bestond uit een regimentsstaf (10 man, 16 paarden), logistiek detachement (8 man, 2 paarden), vier eskadrons met elke twee compagnieën (100 man en 103 paarden per compagnie). Het geheel was 34 officieren en 778 paarden. Het tenue was een donkerblauw, rood omrand met witte koorden, wit lederwerk, lichtgrijze Hongaarse rijbroek en brede chakot op het hoofd. Alle ruiters waren bewapend met een sabel, pistool en karabijn. De officieren en onderofficieren hadden twee pistolen in plaats van een karabijn.
Luitenant-kolonel Jhr Barchman Wuijtiers had als plaatsvervanger de al genoemde majoor Von Staedel en als luitenant-adjudant de luitenant F.X. Beauchêne de Fundter naast zich. Als ritmeesters dienden J.F. graaf van Hogendorp[3], J.C. Hoffma, C. de Cignoux, T. van den Bergh, U.H. van Dam, H.W. Tap, G.F. Koltrop en C.J. baron Kraijenhoff.[4] Diverse officieren hadden gevechtservaring opgedaan in Franse dienst, maar niet allemaal. Het Koninkrijk verkeerde echter nog in oorlog met Frankrijk en haast was dus geboden met de vorming van het regiment. Omdat sommige potentieel uitstekende cavalerieofficieren nog van hun verwondingen moesten bekomen of vanwege afgelegde eed voor vrijlating uit krijgsgevangenschap nog niet mochten of konden dienen, werden de gaten opgevuld met minder ervaren officieren.

De aanmelding van de huzaren verliep voorspoedig. Onder hen bijvoorbeeld 20 ruiters van de Garde te Amsterdam die hun voormalige ritmeester Von Staedel volgden en dienst namen in RD2. De uitmonstering van het regiment kwam met moeite tot stand. Het was een verzameling van geïmproviseerd materiaal, o.a. met een complete bewapeningsset uit Engeland. De opleiding van de nieuwe huzaren en het trainen van de paarden werd bemoeilijkt door de legeringsplaatsen van de eenheden. In Amsterdam en Utrecht waren geen grote kazernes die geschikt waren voor cavalerie-eenheden. De paarden stonden vaak verspreid in kleine groepen op verafgelegen plaatsen. Ook waren er geen rijbanen bij de kazernes. Trainingsgelegenheden en fourageplekken lagen steevast ver van de kazernes verwijderd waar de dragonders zelf gelegerd waren.
Desalniettemin marcheerde al een eenheid van RD2 (samengesteld uit het 3e en 4e eskadron die in Amsterdam gelegerd waren) bestaande uit 7 officieren en 143 man, weliswaar te voet en met infanteriegeweren, naar Muiden om deel te nemen aan het beleg van Naarden. Deze 7 officieren waren majoor C.F. Von Staedel, de ritmeesters U.H. van Dam en H.W. Tap, de 1e luitenants F. van Zuijlikom en P.G.R. baron Snouckart van Schouburg en de 2e luitenants H.G van Oosterom en J. Muijzer.[5]
Het Beleg van Naarden was een beleg door een Nederlandse troepenmacht onder leiding van generaal Kraijenhoff van 17 november 1813 tot 12 mei 1814. De Franse troepenmacht onder generaal Quetard de la Porte, weigerde zich over te geven en bleef hardnekkig weerstand bieden, bemoeilijkt door het feit dat veel soldaten, voornamelijk Nederlanders in Franse dienst, deserteerden. De Fransen deden bijvoorbeeld tussen 8 december 1813 en 15 maart 1814 maar liefst 26 uitbraakpogingen. Deze uitvallen waren met name bedoeld om zoveel mogelijk proviand te veroveren en in de vesting te brengen. Het beleg duurde circa zes maanden en daarmee was Naarden, op Delfzijl na, de laatste stad die werd bevrijd. Toen Napoleon eenmaal gevangen was genomen in april 1814, wilden de Fransen dat niet geloven en bleef het beleg voortduren. Uiteindelijk kregen ze na de publicatie van het Verdrag van Fontainebleau (1814), op 12 mei 1814 een aftocht met eer. RD2 nam deel aan deze belegering met slechte kleding en onder winterse omstandigheden. Op 20 en 21 januari viel er bijvoorbeeld een enorm pak sneeuw. Zo dik was de laag sneeuw dat een dragonder met zijn paard bijna geheel in de sneeuw verdween. Bij een uitval van de Franse bezetting raakte dragonder Scherpenzeel gewond. In mei 1814 keerde deze eenheid van RD2 terug naar de kazerne in Amsterdam.
Met de niet bij het beleg betrokken 1e en 2e eskadrons uit Utrecht nam RD2 deel aan de op 31 maart 1814 gehouden parade in Amsterdam ter ere van de inhuldiging van Koning Willem I. De dragonders stonden hierbij opgesteld zonder wapens. In mei 1814 vertrokken de eskadrons uit Amsterdam naar Utrecht, terwijl de uit Naarden terugkerende eenheid zich later ook in Utrecht bij de rest van het regiment voegde. In juni werden de twee ‘Amsterdamse’ 3e en 4e eskadron echter onder leiding van majoor Von Staedel door naar Namen gestuurd om daar als garnizoen gelegerd te worden.
In januari 1815 werd luitenant-kolonel Jhr. Barchman Wuijtiers als regimentscommandant afgelost door luitenant-kolonel J.C. Renno. Ook enkele andere officieren werden overgeplaatst. Hun vervangers waren majoor A.J. Hoynck van Papendrecht, de ritmeesters W.A. baron van Pallant tot Eerde, S. de Gignoux, C. Mascheck en de 1e luitenant G. Vermaesen. Deze lichting officieren waren allemaal afkomstig van de ‘Hollandse Hussaren’ of de ‘Garde’, eerdere Hollandse cavalerie eenheden in Franse dienst.
Bij de in januari 1814 bevolen officiële oprichting van RD2 was in de toegestane organisatie geen opleidingseenheid (depot) opgenomen. Op 17 november 1814 werd besloten om toch een depot-compagnie te formeren, bestaande uit 3 officieren en 77 man met in totaal 82 paarden.
Deze depot-compagnie kwam in Utrecht en stond onder leiding van ritmeester baron C.J. Kraaijenhoff. Op 22 maart 1815 vertrok de staf van RD2 en het 1e en 2e eskadron en de depot-compagnie vanuit Utrecht eveneens naar den Bosch. De mars zou over Vianen en Gorinchem gaan. De veerovertocht bij Vianen verliep niet geheel zonder incidenten. De eerste twee compagnieën werden veilig overgezet, maar bij het overzetten van het 1e peloton van de 3e compagnie[6] stak er een hevig wind op. Met moeite kwam dit peloton aan de overkant, maar de veerdienst moest worden gestaakt.
De al overgestoken eenheden marcheerden vervolgens niet over Gorinchem verder, maar over Zaltbommel. Later trokken alle eenheden bij.

In januari 1815 werd luitenant-kolonel Jhr. Barchman Wuijtiers als regimentscommandant afgelost door luitenant-kolonel J.C. Renno. Ook enkele andere officieren werden overgeplaatst. Hun vervangers waren majoor A.J. Hoynck van Papendrecht, de ritmeesters W.A. baron van Pallant tot Eerde, S. de Gignoux, C. Mascheck en de 1e luitenant G. Vermaesen. Deze lichting officieren waren allemaal afkomstig van de ‘Hollandse Hussaren’ of de ‘Garde’, eerdere Hollandse cavalerie eenheden in Franse dienst.
Bij de in januari 1814 bevolen officiële oprichting van RD2 was in de toegestane organisatie geen opleidingseenheid (depot) opgenomen. Op 17 november 1814 werd besloten om toch een depot-compagnie te formeren, bestaande uit 3 officieren en 77 man met in totaal 82 paarden. Deze depot-compagnie kwam in Utrecht en stond onder leiding van ritmeester baron C.J. Kraaijenhoff. Op 22 maart 1815 vertrok de staf van RD2 en het 1e en 2e eskadron en de depot-compagnie vanuit Utrecht eveneens naar den Bosch. De mars zou over Vianen en Gorinchem gaan. De veerovertocht bij Vianen verliep niet geheel zonder incidenten. De eerste twee compagnieën werden veilig overgezet, maar bij het overzetten van het 1e peloton van de 3e compagnie[6] stak er een hevig wind op. Met moeite kwam dit peloton aan de overkant, maar de veerdienst moest worden gestaakt. De al overgestoken eenheden marcheerden vervolgens niet over Gorinchem verder, maar over Zaltbommel. Later trokken alle eenheden bij.
Het regiment vertrekt naar het zuiden
Enkele dagen na de aankomst in Den Bosch kreeg door de terugkeer van Napoleon in Zuid Frankrijk, RD2 het bevel zich marsgereed te maken. De depot-compagnie werd leeggemaakt en alle inzetbare mannen en paarden werden verdeeld over de veld-eskadrons. Alleen de niet inzetbare mannen en paarden bleven achter. Op 1 april vertrok het regiment met het 1e en 2e eskadron en een aanvullingsdetachement voor het 3e en 4e eskadron naar het zuiden. De depotcompagnie werd in Den Bosch achtergelaten. De marsroute liep via Oirschot (1 april), Riethoven (2 april), Lommel (3 april en 4e april rustdag), Geel (5 april) naar Diest (6 april). In Diest werd tot 10 april gewacht, waarna op 11 april Sichem en op 12 april Anderlecht werd bereikt. Via Lembeck (13 april) werd via Brussel op 14 april Soignies bereikt. Tijdens de doormars door Brussel stond Koning Willem I de doortocht van RD2 te bekijken. Op 15 april kwam RD2 in Havré aan, waar intussen het 3e en 4e eskadron uit Namen ook waren gearriveerd. In de omgeving van Havré werd gekantonneerd.
Samen met het 8e Regiment Huzaren[7] (RH8) vormde het RD2 de ‘eerste ligte brigade cavalerie’ onder bevel van generaal-majoor C.E. Baron De Gigny. Er was nog een tweede lichte brigade cavalerie. Die stond onder leiding van generaal-majoor Van Merlen en bestond uit het zuid Nederlandse Regiment Lichte Dragonders No.5 (RD5 o.l.v. luitenant-kolonel De Mercx) en het Regiment Hussaren No. 6 (RH6 o.l.v. luitenant-kolonel J.W Boreel). De beide cavalerie brigades waren ingedeeld bij de ‘Divisie Kavallerie van het Nederlandsche Leger’ o.l.v. luitenant-generaal De Collaert. Naast de twee lichte brigades was er ook nog een zware cavaleriebrigade (generaal-majoor A.D. Trip van Zouteland) met hierin drie zware regimenten, namelijk 1e Carabiniers (luitenant-kolonel L. Coenegracht), 2e Carabiniers (kolonel J. Baptiste De Bruyn) en 3e Carabiniers (luitenant-kolonel C. Lechleitner). De Divisie Kavallerie had ook twee halve batterijen Rijdende Artillerie in haar gelederen. Deze werden gecommandeerd door kapitein A.R.W. Gey van Pittius en kapitein A. Petter.

Met het Koninklijk Besluit van 21 april 1815 werd het Regiment Lichte Dragonders No.2 (RD2) omgenummerd naar Regiment Lichte Dragonders No.4 (RD4). Hierdoor ontstond er als het ware een doornummering van alle cavalerieregimenten. In het legeringsgebied werd volop geoefend met nadruk op pelotons-, compagnie en eskadronsmanoeuvres te paard. Ook in regimentsverband want het regiment was nog nauwelijks in groter verband geoefend doordat het verspreid was geweest. Aan ‘tirailleren’ (optreden te voet) en gebruik van de sabel werd nauwelijks tijd besteedt, iets wat zich later zou wreken. De compagnieën hadden slechts elk 27 karabijnen, waarvan de helft slechts een bajonet had. Wat ook niet hielp was het regelmatig midden in de nacht alarmeren van de eenheid. Enkele keren is RD4 samen met RH8, RD5 en RH6 samengekomen om te gezamenlijk te manoeuvreren voor de Koning en de Prins van Oranje.
Inleidende schermutselingen
Op 25 mei werd de divisie cavalerie geconcentreerd. De Zware Cavalerie Brigade bleef in de omgeving Braine l’Alleud, de 1e Lichte Brigade ging naar Havré (oost van Mons) en de 2e Lichte Cavalerie Brigade naar St. Symphorien. Het hoofdkwartier van de 1eLichte Cavalerie Brigade bleef in Havré, terwijl de kantonnementen van de eenheden rond Casteau, St. Denis, Obour en Havré zelf lagen. Begin juni nam de spanning verder toe en werden op 10 juni werden de voorposten langs de grens met Frankrijk betrokken. Luitenant Fundter schreef over het betrekken van de voorposten en contact met de vijand:
“…Daartoe ging dagelijks eene kompagnie naar het dorp Havaij, aan den Romeinschen weg gelegen, eene kompagnie van het 5e ligte dragonders kwam dáár met hetzelfde doel; de vedetten werden nabij de vijandelijke posten gesteld, die door het 6e regiment jagers te paard en het 5de lansiers gegeven werden. De wederzijdse vedetten stonden op sommige plaatsen, slechts weinige passen van een, en hunne consignes anders juist opvolgende, vergaten zij wel eens, van niet met elkander te mogen drinken.”

In de nacht van 14 op 15 juni 1815 viel Napoleon aan en overschreden de Franse troepen de grens met de Nederlanden. Dit werd gemeld door uitgebrachte voorposten die de 1e Lichte Cavalerie Brigade van Generaal-majoor van Merlen had uitgebracht. Die kreeg vervolgens van de Prins van Oranje opdracht de voorposten in te trekken. Op 16 juni werd de grens vervolgens compleet losgelaten en trok de 2e Lichte Cavalerie Brigade terug naar het noorden richting de 1e Lichte Cavalerie Brigade bij Havré. Ook RD4 kwam in beweging want de 2e Lichte Cavalerie Brigade en Zware Cavalerie Brigade concentreerden zich te Arqenennes. A. Luitenant Fundter:
“’s Namiddags van den 15. Juni blies de trompetter te paard; de kompagnieën vereenigden zich op de regiments-exercitieplaats; dáár werd gebivouacqueerd en den volgende morgen den marsch tot de algemeen verzameling aanvaard. Den 16. werd te Arquennes het bivouac betrokken, alwaar al de Nederlandsche cavallerie met uitzondering der 2de ligte brigade, van den generaal-majoor Jhr. van Merlen bevond; de opstelling was in regimentskolonnen, met het 4de dragonders aan het hoofd, dat den linkervleugel aan den straatweg naar Nivelles gaande, had. Eene kompagnie was een paar duizend passen meer regts, om de wegen naar Gosselies en Quatre Bras leidende, in het oog te houden.”
Terwijl sommige Nederlandse infanterie eenheden, inclusief de 2e Lichte Cavalerie Brigade naar Quatre Bras marcheren en daar de Franse opmars vertragen, verplaatst de 1e Lichte Cavalerie Brigade zich op 17 juni via Nivelles (Nijvel) naar Mont St Jean, op het toekomstige slagveld van Waterloo. De achterhoede werd gevormd door de compagnie van ritmeester Koltrop die tot het laatste de voorposten bezet had gehouden. Als flankbeveiliging werd door de brigade een klein beveiligingsdetachement uitgebracht aan de zuidoostzijde van de marsroute tussen het bos van Nivelles en het bos van Bossut om een eventuele Franse verrassingsaanval vanuit de richting van Gosselies en Frasne te voorkomen. Het 1e eskadron van RD4 maakte deel uit van dit beveiligingsdetachement, wat bovendien nog onder bevel van de regimentskommandant, luitenant-kolonel Renno stond. Na de veilige doortocht van de complete brigade werd het beveiligingsdetachement weer teruggetrokken en keerden de deelnemende troepen terug naar hun eigen eenheden.
RD4 nam nu in brigadeverband en in gevechtsformatie plaats op de hoogterand van Mont St Jean aan de westzijde van de verharde weg naar Charleroi met de linkervleugel tegen de verharde weg aan. De weersomstandigheden waren erbarmelijk. Luitenant Fundter:
“het regiment ..[..]..plaatste het zich met den rug naar de hoeve van dien naam, en met den linkervleugel nabij den steenweg naar Charleroi leidende, op een veld met hoog koren in bataille, en bragt daar wegens het slechte weder, een voor menschen en paarden, zeer vermoeijenden nacht door. De Nederlandsche cavalerie was hier vereenigd.”

Een paar achterblijvende dragonders waren helaas gevangen genomen door de Fransen. Dit was een kleine fouragerende (= voedsel verzamelen) eenheid onder leiding van 2e luitenant-kwartiermeester van Uchelen, die door op strooptocht zijnde Fransen cavaleristen werd verrast. De gevangenen werden door de Fransen naar Charleroi gebracht. De Franse eenheid trok zich vervolgens terug en nam de gevangenen mee, maar de bewaking was niet optimaal. Enkele dragonders probeerden dan ook te ontsnappen. Luitenant Fundter schrijft:
“De wachtmeester Reijnders en de dragonder Debusman tot deze krijgsgevangenen behoorende, hernamen nog dien zelfden dag hunne vrijheid. De laatste op den weg ter bewaking van twee paarden, waarvan de ruiters in eene herberg gingen, aan de deur achtergelaten zijnde, besteeg een der paarden, nam het andere aan de hand, en kwam behouden bij het regiment aan. De dragonder Brans, insgelijks deel dier krijgsgevangenen uitmakende, was minder gelukkig in het beproeven om te ontkomen. De ruiter die hem geleidde liet hem te paard blijven, eensklaps trekt Brans de sabel, houwt zijnen vijand neer en keert terug; doch naauwelijks een half uur gereden hebbende, wordt hij door drie ruiters aangevallen, en ofschoon hij dapper werende, door een goed aangebragten sabelhouw over het aangezigt, buiten gevecht gesteld; met een zakdoek verbonden, en te voet langs de Dijle geleid wordende, springt hij in het water, zwemt over en is vrij…”
In de ochtend van 18 juni werd een peloton weggestuurd om te gaan fourageren onder leiding van 1e luitenant Bellefroid. Het peloton zelf stond onder leiding van de 2e luitenant de Loijs. De eenheid verzamelde in een dorp levensmiddelen en een paar slachtdieren. Toen men kanongebulder hoorden en vijandelijke cavaleriepatrouille zag, lieten ze de levensmiddelen achter en probeerden het eigen regiment weer te bereiken. Terwijl ze rondzwieren konden ze het eigen regiment niet meer vinden. Wel vonden ze eenheden van een andere Nederlandse cavalerie eenheid: de 2e Lichte Cavalerie Brigade. Van generaal-majoor van Merlen kregen ze toestemming (of de opdracht) zich bij hem aan te sluiten. Het peloton werd gepositioneerd op de rechtervleugel van de Regiment Dragonders No.5 (RD5) dat links van het Regiment Huzaren No 6. (RH6, het huidige regiment Huzaren van Boreel) stond opgesteld. De twee cavalerieregimenten (RD5 en RH6) stonden achter de heuvelrand gedekt opgesteld. Desondanks werd in de middag de brigadecommandant, generaal-majoor van Merlen gedood door een kanonskogel terwijl hij in het midden van de brigade stond. Hij werd door zijn ordonnans, korporaal Jorissen (oorspronkelijk behorende tot RD4) en enkele anderen op een paardendeken gelegd en teruggebracht. Later in de middag keerde het peloton onder leiding van 2e luitenant de Loijs terug naar het eigen regiment.
De Slag bij Waterloo
Voor RD4 zou de 18e juni een spannende dag worden. Om 8 uur ’s morgens werden de paarden beklommen en de eskadrons opgesteld. Terwijl men zich aan het opstellen was vielen de eerste doden. Luitenant Fundter:
“Naauwelijks was men daarmede gereed, of 3 wagenpaarden, die nog op den regtervleugel stond waar dezelve bij den staf van het regiment gebivouacqueerd hadden, werden door een kanonkogel gedood. Deze gebeurtenis en het onmiddellijk daarop sneuvelen van een paar man, maakte veel indruk op den troep, en vooral op hen, welke dien dag den vuurdoop zouden ontvangen; doch de grootte bedaardheid, waarmede de kolonel Renno de manschappen, het langs rijden der gelederen toesprak, en tot het nakomen der bevelen en pligten aanmoedigde, gaf ieder zijne gemoedstemming weder. Hij gelastte onder anderen, dat de man; die zij paard mogt verliezen, trachten moest een ander paard te bekomen, en zich dan aanstonds weder bij het regiment te vervoegen. Vooral wilde hij, dat met de meeste spaarzaamheid manschappen moesten worden gebruikt, om zwaar gewonden in veiligheid te brengen..”
De geallieerde eenheden hadden zich in linie opgesteld, met infanterie voorop. De cavalerie stond erachter gegroepeerd in drie grotere concentraties. De Nederlandse cavalerie (waaronder RD4) stond in het midden. Om 10.00 werd er een duidelijk opbouw zichtbaar in de Franse linies (het Corps van D’Erlon) en als gevolg hiervan werd de 1e Lichte Cavalerie Brigade van De Gigny verplaatst naar het oosten van de weg Brussel-Charleroi en nam plaats achter de Britse infanteriedivisie van Picton. De 2e Lichte Cavalerie Brigade (van Merlen) en Zware Cavalerie Brigade (Trip) bleven in eskadronscolonnes op de oude plaats staan in het midden.

Op deze kaart is het noorden onder en het zuiden boven. In oranje de ontplooiing van de Nederlandse cavalerie op 18 juni omstreeks 11.00 uur. 4 = DR4. Rood is Britse troepen van Wellington en in blauw de Franse troepen van Napoleon. Zwart is het Brunswijck contingent onder bevel van Wellington. De beweging van de brigade van De Gigny naar het oosten is zichtbaar
Toen het duidelijk werd dat de Franse infanterie aanval een serieuze dreiging werd, kreeg de Nederlandse cavaleriedivisie rond 14.00 uur bevel zich in zuidoostelijke richting te verplaatsen tot achter en ter versterking van de eigen infanterie eenheden. Generaal-majoor Trip sloot met zijn Zware Cavalerie Brigade de weg richting Brussel af. De 2e Lichte Cavalerie Brigade onder bevel van generaal-majoor Van Merlen, met daarin het RH6 (onder commando van luitenant-kolonel Boreel) en RD5 onder commando van luitenant-kolonel de Merkx, nam ondersteunende posities in achter de al eerder naar het oosten verplaatste 1e Lichte Cavalerie Brigade van generaal-majoor De Gigny. Deze stond intussen opgesteld achter de meest oostelijke infanteriebrigade. Gigny had zijn brigade namelijk iets naar het oosten verplaatst en zelfs de drie eskadrons van RD4 min of meer in voorste linie geplaatst met RH8 erachter. Van Merlens brigade kwam nu feitelijk achter de Union Brigade van Ponsonby terecht ongeveer ter hoogte van de boerderij van Mont St. Jean. Luitenant Fundter vertelt over de verplaatsing:
“Niet lang bleef de brigade in deze eerste stelling; zij marcheerde met pelotons af, trok over den straatweg tot bijna op den linkervleugel der stelling, en werd dáár in eerste linie, met ons 5e eskadron achter het regiment als tweede linie gedeploijeerd.” Hij beschrijft ook de locatie waar RD4 terechtkwam: “De stelling aldaar was achter den weg, die naar Ter la Haye voert; voor het front van het regiment was eene lage heg en liep het terrein af; op onze linkervleugel stonden Schotten, die tirailleurs achter de heggen hadden; tusschen de brigade bevond zich eene Engelsche vuurpijl-batterij, en tegen over ons over het 72ste Fransche infanterie-regiment, met artillerie. Het front des regiments volgde den loop van den weg, en stond niet evenwijdig met dat des vijands; de linkervleugel was meer terug dan de regter, die daarvan ongeveer 80 schreden kan geweest zijn.”
Tijdens de verplaatsing naar de nieuwe locatie had de brigade al enkele verliezen geleden door kanonschoten die door de voorste linies heen vlogen en over de top van de heuvel richochetteerden. Luitenant Fundter:
“Aanvankelijk was het in onze stelling vrij rustig, zoodat eenige onzer officieren op de regtervleugel van het regiment vereenigden en over de aanstaande gebeurtenissen spraken; doch op eens kwam een vijandelijke kogel, die den ritmeester Kreitzig doodde, den wachtmeester De Graaf den arm en den korporaal Kaijen den voet wegnam. Op aanmaning van den ritmeester baron Kraijenhoff gingen de officieren uiteen; elk nam zijne aangewezene plaats in; de regtervleugel des regiments werd in de rigting van deszelfs linkervleugel en het 5e eskadron in de eerste linie gebragt. Van toen af begon het geweer- en kanonvuur van weerszijden in werking te komen, en met afwisseling van snel- en traagheid voortgaande.”
Een andere officier van RD4 vertelt over het aanhoudende kanonvuur:
“Zoals ik al eerder vertelde waren we op de aangewezen plaats blootgesteld aan een aanhoudende regen van kanonskogels. Na een poosje keek ik rond naar mijn mannen en zag dat een paard van een dragonder in de twee lijn van mijn peloton alleen stond. Ik vroeg aan de dragonder ernaast waar de ruiter was. Hij antwoordde door naar de grond te wijzen. Daar lag de dragonder bewegingsloos met zijn hoofd verbrijzeld.”
Aanvankelijk had Franse de aanval succes. Het Brits-Nederlandse centrum van de verdediging was bijna doorbroken, toen een tegenaanval van de Britse zware cavalerie onder leiding van de generaal Uxbridge werd uitgevoerd. Deze tegenaanval was slecht voorbereid en slecht gecoördineerd. Weliswaar kon deze tegenaanval in eerste instantie de Franse infanterie terugslaan, maar door de slechte discipline bij de Britse cavaleristen werd de charge te ver doorgevoerd. Hierdoor kregen Franse lansiers de kans de Britse cavalerie in de flank aan te vallen, wat tot een slachting aan Engelse zijde leidde. De 1e Lichte Cavalerie Brigade (staande op de uiterste linker flank) chargeerde nu op eigen initiatief op de Franse lansiers die zo’n slachting aanbrachten onder de Britten en redde daarmee vele levens. Ook de Franse infanterie die alhier de oorden La Haye en Smohain al aardig genaderd waren, waren doelwit van de chargerende Nederlandse cavalerie. Het eerste chargerende regiment was RH8[8] die de Franse infanterie aan de voet van de heuvel aanvielen. Deze werden op hun beurt weer aangevallen door de Franse 7e Huzaren en 3e Chasseurs á Cheval en de 3e en 4eLanciers. De terugtocht van RH8 achter de Ohain-weg werd gedekt door de Congreve raketbatterij van Whinyates. Hier ging het nodig mis en enkele raketten kwamen neer tussen de rijen van RH8 met enkele doden en gewonden tot gevolg. Luitenant Fundter:
“Na het middaguur kwam op onze stelling eene vijandelijke infanterie-kolonne aanmarcheren, en nam het vuur met hevigheid toe; onze vuurpijlbatterij bleef niet achter, doch een der pijlen nam eene tegengestelde rigting, en kwam in het 8ste hussaren te regt; het geraas, dat deze projectielen maakten, verontruste zeer onze paarden, zoodat telkens de rigting moest worden verbeterd.”
Toen de Franse infanterie zich opnieuw trachtte te ordenen en voorwaarts te gaan, stortte het tweede regiment van de 1e Lichte Brigade, RD4 zich op de Fransen. Luitenant Fundter van RD4 vertelt hierover:
“Toen de vijand genoegzaam genaderd was en het punt der helling had bereikt, om tot ons te komen, ging het regiment voorwaarts, over de heg, en viel de kolom aan. Met goed resultaat, het handgemeen duurde maar kort. Voor aanrukkende lansiers moest worden teruggegaan” Na de charge keerde RD4 terug achter de linies van het Schotse 92e Regiment, wat de heuvelrand bezet hield. “de verzameling geschiedde op de verlatene plaats en onder het vuur der Schotten; de vijand vervolgde niet en trok iets later terug.”

De Franse aanval op de linkerflank, de mislukte charges van de twee Britse cavaleriebrigades en de posities van de Nederlandse cavalerie tussen 13.00 en 15.00 uur. De drie afzonderlijke Nederlandse brigades zijn in oranje weergegeven. Geheel links de charges van de 1e Lichte Brigade. 4 = RD4
Luitenant-kolonel Baron van Heerdt tot Eversberg behoorde tot de staf van de 1e Lichte Cavalerie Brigade en vertelt:
“Om 12 uur deed een Franse aanval onze linkervleugel wijken. De generaal (de Gigny) had de brigade eerder al de weg naar Charleroi doen kruisen en volgde de bewegingen van de Engelse cavalerie en het Hannover regiment (Cumberland Huzaren). Het Engelse regiment sneed door de Franse infanterie heen. Het kanonvuur op dit moment werd zo intens, dat de Hannoveriaanse huzaren begonnen te twijfelen. Onze brigade stak de weg naar Wavre over. De generaal gaf opdracht aan RH8 om rechts te ontplooien in de laagte, tegenover een Frans vierkant, terwijl een Engelse Congreve batterij raketten in het blok schoot. RH8 bleef in positie en maakte geen gebruik van de verwarring. DR4 zette haar mars voort tot een veld waar eerder de Engelse cavalerie had gechargeerd en maakte vervolgens een charge tegen een zich hervormend Frans infanterieregiment. Op dit moment werd ritmeester Kreitzig gedood en ritmeester Van Pallandt gewond in zijn linkerbeen. Ook sneuvelde sommige dragonders en paarden. We maakten enkele gevangenen. Na deze charge sloot RH8 zich weer bij ons aan en nam haar plaats in de slagorde weer in. De generaal gaf bevel voor de terugtocht en ter dekking tegen Franse cavalerieaanvallen zochten we dekking achter de Highlanders (92e Regiment) in een kleine laagte op 150 tot 200 pas afstand. Deze beweging werd prima uitgevoerd in echelon.”
Ritmeester van Pallandt bleef ondanks zijn verwondingen zijn eskadron aanvoeren, maar zou aan het van de dag door meerdere verwondingen dood van zijn paard vallen.
Er zijn nog twee beschrijvingen van deze charge. De eerste is de chef staf van het Nederlandse leger, generaal de Constant Rebecque die in zijn dagboek schrijft:
“..De Belgische huzaren (=RH8) kwamen in perfecte orde in vol galop vanaf de heuvel en vielen aan op de flank van het 3e Regiment Chasseurs á Cheval en het 3e Regiment Linie Lansiers. Nadat de huzaren de flanken van deze regiment waren binnengedrongen, was er geen mogelijkheid meer voor de vijand om te reorganiseren. De lengte van hun lansen was nu een nadeel omdat de samenhang eerder al verloren was gegaan toen ze Vandeleurs dragonders (= Engelse cavalerie) achter na zaten en ze door de Belgen op een hoop werden gedrongen die het voordeel hadden dat ze met sabels gewapend waren die gemakkelijker op korte afstand gehanteerd konden worden. De Franse lansiers op de rechterflank konden echter niet steken noch afweren. Sommigen gooiden hun lansen weg en probeerden hun zwaarden te trekken, maar dit hielp niet. Voordat de Fransen in staat waren te reageren, kwamen de Nederlandse dragonders (RD4) in de tweede lijn en maakten de charge af. De enige mogelijkheid voor de Fransen was om terug te trekken en bescherming te zoeken achter de Franse infanterie, maar hierdoor toonden ze hun ruggen, waardoor de achtervolgende Nederlandse ruiters een mooie gelegenheid hadden om nog meer leed aan te brengen.”
Het tweede verslag is van generaal De Gigny zelf die in zijn gevechtsverslag schrijft:
“Om half twee in de middag zag ik een terugtrekkende beweging van onze troepen op de linkerflank. Ik gaf mijn brigade opdracht om pelotonsgewijs naar de linkerkant van de weg (naar Charleroi) te gaan, waar ik de Huzaren No.8 (RH8) opdracht gaf om in draf voorwaarts te gaan, gevolgd door het Regiment Lichte Dragonders No.4 (RD4) in echelonsformatie. We dwongen de gehele (Franse) cavalerie in front van ons, bestaande uit lansiers, om zich terug te trekken.”
Hij vertelt verder over een poging om Franse infanterie aan te vallen:
“(de Franse cavalerie) trok zich terug naar de flank van een talrijk Frans bataljon in blok dat in positie stond op een hoogte aan de andere kant van de vallei. Halverwege de afstand naar dit vierkant, gaf ik het bevel halt te houden. Mijn verkenners waren al in gevecht met die van hun. Enkele momenten later stuurde de vijand nog meer verkenners naar voren, gevolgd door een paar compagnieën en zelfs cavalerie op mijn linkerflank. Omdat het vuur van de vijand toenam, gaf ik het bevel tot de terugtocht. Na de vallei weer overgestoken te zijn, nam ik positie in vlakbij infanterie, bestaande uit Schotten.”
De 1e Lichte Cavalerie Brigade kreeg van de Engelse generaal Uxbridge opdracht om in positie te blijven en aldaar in positie staande batterijen artillerie te beschermen. Luitenant Fundter schrijft:
“De vuurpijl-batterij verliet na eenigen tijd onze stelling, en werd door het 8ste hussaren begleid. Het regiment deed zulks eveneens, trok meer regts en kwam tussen de infanterie-brigade van den generaal-majoor graaf Van Bijlandt te staan. De hussaren namen iets later dezelfde plaats in.”
Op deze positie herkenden de dragonders enige tegenstanders in de rijen van de tegenover hen staande Franse cavalerie eenheid. Luitenant Fundter:
“Een zondeling schouwspel had alsnu bij den opmarsch van het regiment, dat tegenover het 12ekurassiers te staan kwam, plaats. Dit regiment, waarbij het overschot van het oude 14e van dat wapen, de voormalige Hollandsche kurassiers van den kolonel Trip, gevoegd was, telde bij het onze in alle rangen vele oude wapenbroeders, die zich herkennende, bij den naam riepen; vooral was dit het geval met zekeren dragonder Jansen, den kolderigen genaamd, die van alle zijden toegeroepen werd.[9]
Het tegenover elkaar staan van oude bekenden, werd nog spannender gemaakt:
“in linie staand, kwamen onophoudelijk van deze kurassiers en jagers van het 6e regiment, dat in de nabijheid stond, langs het front rijden, die dan het pistool of karabijn op het regiment lostten, en de onzen tot een tweegevecht uitdaagden; en, ofschoon zulks door menigeen werd aangenomen, waren nogtans onze jonge menschen daarin niet genoeg bedreven. Bij deze gelegenheid sneuvelde de ritmeester Mascheck, terwijl hij zich bezig hield, om eenige zijner manschappen vooruit te zenden, en werd het paard van den luitenant Muijzer gewond.”
Door het afslaan van de eerste Franse aanval op de oostelijke flank van de Brits-Nederlandse verdediging trad een gevechtspauze in die de geallieerde commandanten gebruikten om het centrum van de verdediging te versterken. Napoleon benutte deze tijd om de nog steeds voortdurende misleidingsaanval op Hougoumont te ondersteunen met houwitsers en voorts door de grote batterij in zijn centrum te versterken. Het artillerievuur van deze batterij bracht zware verliezen toe aan Wellingtons centrum, waarop Wellington zijn eenheden liet terugvallen naar de achterhelling van zijn opstelling om hen zodoende meer bescherming te bieden tegen dit artillerievuur. De Franse maarschalk Ney zag deze achterwaartse beweging en interpreteerde die als het begin van een terugtocht. Hij meende een mogelijkheid te zien het centrum van Wellington definitief te doorbreken en zette het 4e cavaleriekorps met 3.100 ruiters in om dit doel te realiseren. Dit 4e cavaleriekorps wordt spontaan gevolgd door de lichte cavaleriedivisie van de Franse Garde met nog eens bijna 2.500 ruiters .
Bij het zien van de voorbereiding voor deze charge verplaatste de generaal-majoor Trip zijn Nederlandse Zware Cavalerie Brigade terug vanaf de positie langs de verharde weg naar Charleroi naar zijn oude positie. Maar wel meer voorwaarts tot vlak achter de infanterie eenheden die zich in zogenoemde carrés opmaakten voor de naderende Franse cavalerie aanval. De twee lichte cavalerie brigades volgden ook, staken de verharde weg in galop naar het westen over en namen iets verder achter de zware cavalerie posities in. De brigade Van Merlen stond links achter de brigade van Trip , terwijl de brigade van De Gigny zich rechts achter positioneerde. RD4 kwam nu tussen twee infanteriecarrés te staan. Rechts stond een Hannoveriaans regiment en links een Nassausch regiment. Een Hannoveriaanse batterij rijdende artillerie kwam met secties tussen de eskadrons van DR4 instaan. De wederzijdse uitdagingen waren nog niet over. Luitenant Fundter schrijft:
“Ook de vorige vijandelijke kurassiers en jagers waren naar dat punt getogen, en kwamen ons als te voren uitdagen. De staftrompetter van het 6de jagers tot deze behoorende, trok spoedig af, na een paar sabelhouwen van den 2e luitenant van Eupen te hebben bekomen. In het terugkeeren van dien officier werd zijn paard gedood, en hij door een tirailleur der Nassauers, die toesprong, geholpen en in het carré gedragen.”
De Nederlandse cavalerie stond nu tussen de Engelse cavalerie. Allen stonden ze gedekt achter de heuveltop. Doordat door de eerste charge er geen zware Engelse cavalerie meer over was, vormde de Zware Cavalerie Brigade van Trip de enige zware reserve. De Franse aanval was compact met meer dan 5000 ruiters. Voorop reden de kurassiers met op de flanken geëchelonneerd naar achteren lansiers en jagers te paard. Het was rond 16.00 uur toen de eerste aanvalsgolf van de Franse cavalerie de geallieerde artilleriebatterijen en infanteriecarrés overspoelde. Het lukte de Franse kurassiers niet om de in meerdere linies opgestelde en elkaar steunden Engelse infanterieblokken te doorbreken. Daarop besloot generaal Trip de Nederlandse Zware Cavalerie Brigade in te zetten. Hij zette aanvankelijk eerst het Regiment Caribiniers No1 (RC1) in en hield het Regiment Caribiniers No2 (RC2 in reserve. De laatste 100 meter van de charge van RC1 werd in vol galop uitgevoerd. Na een heftig treffen trokken de Franse kurassiers zich in wanorde terug. Een ooggetuige van de Nassau brigade schrijft:
“De Franse kurassiers werden voortgejaagd naar het noorden, maar daar kwamen ze Nederlandse cavalerie tegen, waaronder een regiment Caribiniers. Onder wild geroep van ‘Vive l’Empereur’ en ‘Oranje Boven’ wierpen de beide zijden zich op elkaar. Mannen en paarden draaiden om elkaar heen als golven in een draaikolk, vanwaar als het ware bliksemschichten opflitsen als een sabel werd geheven of een schot afgevuurd. Oorverdovend was het geschreeuw, gekletter van de sabels en het gehinnik van de paarden die elkaar beten. ‘Hoera, Oranje Boven’ echode rond, omdat de Fransen zich terugtrokken.”
De Franse linker vleugel trok zich terug, later gevolgd door de rechtervleugel, naar de valleilaagte ongeveer ter hoogte van de boerderij La Haye Sainte.
Maar veel tijd hebben de Nederlandse regimenten niet om te hergroeperen, want een nieuwe golf van Franse cavalerie bestormde het plateau. De nieuwe golf Franse ruiters kwam van de linkerflank. Ook op deze Franse ruiters wordt door de haastig gehergroepeerde Nederlanders gechargeerd, terwijl ook Engelse cavalerie chargeerden. Deze Nederlandse charge werd uitgevoerd door RC2 met het volgende RC3 in reserve. De Franse kurassiers werden niet alleen teruggeslagen maar tot ver in de vallei achtervolgd. Maar ook nu weer wisten de Nederlandse cavaleristen hun discipline te handhaven en trokken zij zich tijdig en geordend terug naar hun uitgangsstelling. Generaal-majoor de Constant Rebecque schrijft in zijn rapport: “De cavalerie aanvallen waren continue. Deze van de vijand spoelde als lava tussen onze infanterieblokken, waar we herhaaldelijk dekking in zochten. Toen viel onze cavalerie op haar beurt aan. Generaal Trip voerde een prachtige aanval uit met onze Carabiniers.”
De 1e Lichte Cavalerie Brigade van generaal-majoor De Gigny (RH8 en RD4) nam geen deel aan de tegenaanvallen op de eerste aanvalsgolven van de Franse kurassiers, maar in hun positie op het westelijk deel van het slagveld hadden ze ook te lijden onder Frans artillerievuur. Luitenant J.C. Fundter van RD4 schrijft:
“de paarden van kolonel Renno en ritmeester Baron van Kraijenhoff werden gewond, die van de luitenant Baron van Lijnden tot Oldenhaller, Baron van Anderwerelt Houttuijn en Grothe werden gedood. Het tweede paard dat Anderwerelt besteeg kreeg zijn been weg geschoten, waardoor de luitenant buiten gevecht werd gesteld door de verwondingen die hij bij de val op hierdoor opliep. Het eskadron van Baron van Kraijenhof had op een bepaald moment geen luitenants meer over. Daarna werden ook ritmeester Baron van Kraijenhof en luitenant Muyser gedood en van Zuylekom dodelijk gewond. Hun paarden werden hierbij ook gedood. Luitenant Daije, die vanwege een wond aan zijn hand door dragonder Zadelhoff naar achteren werd gebracht, werd vermoedelijk rond dit tijdstip ook gedood omdat we zijn paard zonder ruiter naar de vijand zagen lopen en sindsdien niets meer van de luitenant hoorden.”
Ze zagen de strijd ook rechts ook gebeuren. J.B. Christemeijer van RD4 schrijft:
“Ney had versterking gevraagde en in vol galop stormden 4000 kurassiers op de heuvelrand af, gevolg door lansiers, dragonders en huzaren, met hun sabels naar voren gestrekt en Ney aan het hoofd onder het schreeuwen van ‘Vive l’Empereur!. Ze hakten op al geschonden Engelse infanterie in, maar de Britten en het Duitse Legioen (Hannoverianen) stonden als een muur. Terwijl de eerste linie de paarden van hun aanvallers met de bajonetten opving, ontvingen de mannen erachter de gevreesde ruiters met een vernietigend vuur. Maar de divisie Alten, die de eerste aanval opving, was na een kort verzet min of meer gebroken en vrijwel vernietigd door de massieve druk van de paarden die ook nog eens van achteren werden voortgestuwd.
Hij meldt ook de aankomst van de divisie van Chassé:
“… in de tweede lijn, die nu aan de beurt was, namen nu ook Nederlandse strijders deel aan het gevecht, net zoals Clinton en zijn Engelsen, toen onze Divisie Chassé , arriverend vanuit Braine Le Leud in de namiddag, haar plaats in de linie innam. Het was ook hoog tijd voor deze versterking, hoewel maar 4000 man sterk en hoewel vijandelijke cavalerie zich deels terugtrok, uiteengerukt door musketvuur vanuit onze blokken en kanonskogels van onze batterijen, leek het erop alsof hun zwermen in onze rug opstonden en hun aanvallen met hernieuwde kracht inzetten. Hun voorste ruiters moesten over stapels lijken van ruiters en paardenlichamen heen springen en hun sabels kletsen op de plekken waar ze onze infanterie op de flanken konden raken. Hele linies van ons werden neergemaaid zoals gras in het veld door scherpe lansen van hun lichte cavalerie of lange zwaarden van de verschrikkelijke kurassiers en carabiniers. Dit was geen normale aanval meer, waartegen onze mannen zich moesten beschermen, maar aanhoudende golven van een wild zwerm ruiters, wiens woede verergerd was door de salvo’s van de Congreve raket batterij die wreed huis hield in hun midden.”
Luitenant Fundter schreef over het stilstaan in deze stelling:
“het regiment had geene tirailleurs uitgezonden, waardoor het die des vijands gemakkelijk viel hetzelfde te naderen en te schaden. De 1e luitenant van Guericke, die de beide eerste eskadrons commandeerde, vroeg de vergunning, die lastige ruiters te laten aanvallen; doch de kolonel weigerde zulks, meenende, dat daaruit welligt eene handgemeenschap konde ontstaan, die door onze veel mindere sterkte aan cavalerie daar ter plaatse, dan die des vijands, moest vermeden worden.”
Dat de lichte brigades niet van meet af aan werden ingezet was begrijpelijk. De huzaren en lichte dragonders zouden bij een directe confrontatie met de kurassiers, met hun langere rechte zwaarden, geen partij zijn geweest.
Rond 17.00 uur mengde een tweede golf Franse zware cavalerie zich in de strijd en voerden de geallieerde infanterie en cavalerie een fel verdedigend gevecht tegen deze enorme massa aan cavaleristen. De Fransen vielen in eskadronscolonnes aan vanwege het gebrek aan ruimte. Ze vielen nu meer naar het westen aan, dichter bij de boerderij Hougoumont, waar Engelse infanterie nog altijd stand hield. Geallieerde artillerie op de heuvelrug beet stevig van zich af en veegde groepen Franse ruiters van hun paard. Hele banen werden weggevaagd, maar de Franse cavalerie bleef voorwaarts bewegen. Ook de geallieerde infanterie schoot vele Franse ruiters van hun paard, die de Engelse infanterieblokken omspoelde.
Bij deze tweede aanvalsgolf kreeg de Brigade van De Gigny persoonlijk van de Prins van Oranje opdracht te chargeren op de Franse zware cavalerie die op het punt stond de geallieerde linie te doorbreken. Er was op dat moment geen andere cavalerie eenheid voorhanden. Luitenant F.C. Fundter van RD4 vertelt:
“Een weinig later gaf Z.K.H. de prins van Oranje in person den last, om de overstaande cavalerie aan te vallen….”
Daarop kregen ze van de Prins van Oranje nog een keer de opdracht te chargeren. Deze tweede charge was gericht tegen ‘reuzen’ van het slagveld, de ‘Grenadiers à Cheval de la Garde impériale’, en was gedoemd te mislukken. Maar wederom zagen de Nederlandse huzaren kans om na te hebben gechargeerd zich terug te trekken en dit ondanks de moeilijke terreinomstandigheden, het aanhoudend artillerievuur en de dreiging van de ‘Grenadiers à Cheval’. Deze tweede charge werd uitgevoerd met RH8 voorop. Fundter:
“..tweemaal werd daartoe overgegaan, en door den Prins toegejuicht, doch telkens moest voor de overmagt en vooral voor het moorddadige kanonvuur worden teruggegaan, onder begunstiging der beide carrés en van de batterij, verzameld werd. Bij een dezer aanvallen geraakte de luitenant Sneck onder den voet en moest het slagveld verlaten.”
De paarden van kolonel Duvivier en generaal De Gigny werden gedood en majoor de Viliers werd dodelijk gewond.

De Franse cavalerie aanval op de rechterflank in de vroege avond (16.00 – 19.00) met geallieerde infanterieblokken en cavalerie tegenaanvallen. Links de 2e Lichte Cavalerie Brigade, midden de Zware Cavalerie Brigade en rechts de 1e Lichte Cavalerie Brigade met hierin RD4 (= 4)
De Gigny gaf bij de terugtrekking RH8 opdracht zich achter RD4 te formeren, maar dit lukte niet. Dit vanwege het feit dat de opdracht in het Nederlands werd gegeven terwijl RH8 van Belgische afkomst was. In plaats van links om de dragonders heen te rijden, galoppeerden de huzaren dwars door de rijen van RD4 naar achteren. Ook dit regiment werd hierdoor in verwarring gebracht, terwijl de Franse cavalerie hiervan gebruik probeerde te maken. Ritmeester Koltrop van RD4 zag dit, greep twee pelotons bij elkaar en voerde een tegencharge uit, waarachter de rest van het regiment zich opnieuw kon formeren. Hierbij werd hij geassisteerd door één van de twee pelotonscommandanten, luitenant van Guericke. Beide officieren kregen hiervoor later een Militaire Willems Orde. RH8 had intussen van al die gevechten op deze dag intussen 8 officieren en 277 mannen dood of gewond verloren[10]. De regimentssterkte was hierdoor feitelijk teruggebracht tot één eskadron. Ook RD4 had de doden en gewonden, waaronder de regimentscommandant luitenant-kolonel Renno die gewond was geraakt aan zijn been en zijn paard had verloren. Het commando over RD4 ging over naar majoor Von Staedel. Fundter schrijft over zijn luitenant-kolonel Renno, die in de ochtend nog aanwijzingen had gegeven om niet teveel manschappen te gebruiken om gewonden weg te dragen: “van dit laatste gaf kolonel in den loop van den dag een treffend voorbeeld, toen hij zelf gewond lag, en de verdere hulp, om van het slagveld te worden gebragt, van den wachtmeester van Reijen, wiens paard gedood was, weigerde.”
Een veteraan van RD4 vertelt over de zware gevechten:
“de (kanons)kogels vlogen over onze hoofden, sneller dan het getik van een horloge. Ritmeester Maschek stond voor zijn eskadron en riep zijn mannen toe om dapper te zijn. Toen werd hij plotseling getroffen door een vijandelijk schot die hem dood op de grond deed vallen. Een moment later schreeuwde iemand in ons eskadron: “de arm van luitenant Zuylekom is verpletterd!” Inderdaad zag ik hem naar achter gebracht worden (hij stierf later aan deze wond in Brussel). Kort hierna werd het paard van luitenant Muyser in de borst getroffen. Deze dappere officier besteeg gelijk hierna een paard van de Engelse cavalerie die naast onze paarden stond. Telkensweer zag ik mannen naast en achter me vallen. De kanonskogels die in de modder terecht kwamen, gooiden grote hoeveelheden modder op ons en onze paarden.”
RD4 bestond nog slechts uit 5 officieren en 200 mannen en paarden.
Ook de 2e Lichte Cavalerie Brigade, met daarin RH6 en RD5, werd pas bij de tweede Franse aanvalsgolf ingezet om de Nederlandse zware cavalerie te dekken en de aanvallende Franse cavalerie tegen te houden. Aan Franse zijde scheen het succes voor het grijpen te liggen. De geallieerde artillerie batterijen waren overlopen en de geallieerde infanterie op de heuvelrug leek ondergedompeld in golven van Franse ruiters. Bovendien waren enkele veroverde Engelse vaandels naar Napoleon gebracht. Inderdaad hadden enkele minder ervaren Hannoveriaanse en Nederlandse eenheden hun posities verlaten en waren naar achteren gevlucht. De weg naar Brussel zat verstopt met terugtrekkende en vluchtende mannen, paarden en wagens. Ook de rijen Nederlandse ruiters waren intussen behoorlijk uitgedund. Majoor van Gorkum van de staf van generaal de Constant Rebecque rapporteert:
“De vijandelijke aanvallen volgen elkaar zonder pauze op en het aantal gewonden van de infanterie en cavalerie nam toe. De gewonden van de cavalerie hadden vreselijke wonden in hun lichamen, hun armen eraf of langs hun zijde hangend, zichzelf nauwelijks in het zadel houdend, vertrappelden en duwden aan de kant de gewonde infanteristen, die de weg zo verstopten dat de gevechtstrein naar het front, haar weg door deze massa moest banen in de meeste ondankbare manier voor deze gewonden. Degene die niet snel genoeg aan de kant gingen werden genadeloos overreden. Het was een vreselijk aanzicht.”
Terwijl op de Franse oostelijke flank de Pruisische troepen naderden, besloot Napoleon zijn laatste troef uit te spelen en gaf rond 19.00 uur zijn Garde het bevel om de aanval op Wellingtons verdediging in te zetten. Napoleon stelde daarvoor vijf Gardebataljons met elk circa 600 man onder bevel van maarschalk Ney, die de eenheden persoonlijk voorging in de aanval. Tijdens deze nieuwe dreigende Franse gereedstelling werd de Prins van Oranje gewond door een musketkogel toen hij met de officieren van de 1e Lichte Brigade Cavalerie van De Gigny sprak. Hij werd afgevoerd naar achteren.
Merkwaardig genoeg viel maarschalk Ney niet aan op het uiteengeslagen centrum, maar op het nog redelijk intacte westelijke deel van de geallieerde verdediging. Deze aanval werd door de Engelse en Hollandse infanterie met behulp van de 2e Lichte Cavalerie Brigade afgeslagen. Op dat moment vocht de 1e Lichte Cavalerie Brigade van De Gigny opnieuw samen met enkele Britse lichte cavalerie brigades in het midden van het slagveld tegen de Franse infanterie en lichte cavalerie die de versterkte posities bij Papelotte en La Haye Sainte al hadden veroverd en dreigden alsnog door de verdediging te breken. Maar ook die Franse aanval mislukte uiteindelijk en de Franse eenheden trokken zich in wanorde terug. De Nederlandse cavaleristen van Trip en De Gigny zette samen met Brunswijkse huzaren en de restanten van de Britse zware cavalerie, de achtervolging in tot aan het dorp Genappe. Uitgeput kwamen de eenheden tot stilstand. Luitenant Fundter:
“Toen het lot van den dag beslist was en de vijand begon te vlugten, ging het regiment met de Hanoveraansche batterij in galop regts voorwaarts, om de aftrekkenden te beschieten. Vervolgens ging het terug, formeerde de kompagniën en steeg een oogenblik af, om daarna elders te gaan bivouacqueren.”
Het slagveld lag bezaaid met doden, gewonden, paarden, kanonnen en uitrusting. De hulpeloze op grond liggende gewonde opperwachtmeester Heuvingh van RD4 schreef:
“Overal waar ik keek, om me heen en zo ver mijn ogen konden kijken, zag ik lichamen en ik hoorde niets anders dan kanongebulder en het vreselijke kreunen van de gewonden die dicht bij me lagen. Naast me lag een paard, die aan de uitrusting te zien, van de Engelse cavalerie. Het arme dier probeerde al hinnikend op te staan, maar stortte weer, waarschijnlijk vanwege een schotwond in één van zijn benen. Ik was in groot gevaar, want elke keer als het dier probeerde op te staan, was ik bang dat hij in zijn val op me zou vallen en me verpletteren met al zijn gewicht. Dit gevaar duurde een tijd totdat het dier, dat vermoedelijk ook door een kogel in het lichaam was verwond, zich uitstrekte en stief.”
Luitenant Fundter van RD4:
“Gedurende deze dag had het regiment op en neer gemarcheerd en in vier verschillende posities gestaan. Terwijl de kanonskogels om en in de rijen sloegen, bleven we in onze positie staan. ’s Morgen bukten de mannen nog voor de kogels en werden bleek maar bleven staan. Later gebeurde dat niet meer en raakte men eraan gewend. Zelfs de verwonding van kolonel Renno, die het regiment zo kundig had geleid, kon de mannen niet schokkeren. Slechts één persoon deserteerde. Dit was de officier gezondheid, Werner, die een regimentspaard hiertoe meenam. De verliezen van die dag waren groot en veel mannen dankten hun redding aan de overjassen die ze over hun schouders hadden gegooid.”
De slag was weliswaar gewonnen, maar de oorlog was nog niet afgelopen. De terugtrekkende Franse moesten worden achtervolgd. De vermoeide Engelsen en Fransen lieten dit over het algemeen aanvankelijk over aan de (frissere) Pruisen. Generaal Trip:
“Tegen middernacht arriveerde ik met de divisie op ongeveer drie kwartier rijden van Genappe. Ik kom de mars niet goed meer voortzetten vanwege de vermoeidheid van de mannen en paarden. Ik was tevreden met een bivak voor die nacht op dit plek.”
De Nederlandse en Belgische cavalerie verbleef die nacht dan ook in de bossen van Callois.
RD4 had zware verliezen geleden. Van de oorspronkelijk 25 officieren en 602 manschappen waren 6 officieren en 22 man gedood, 4 officieren en 39 man gewond, 1 officier[11] en 12 man vermist en twee officieren[12] gevangen genomen door de Fransen. Gesneuveld waren ritmeester Mascheck, ritmeester baron van Pallandt tot Eerde, ritmeester Kreitzig, en de 2e luitenants Stratenus, van Alderwerelt Houttuijn en Sneck. De gesneuvelde onderofficieren en manschappen waren wachtmeester de Graaf, korporaals Siermans en Becking en de dragonders Weerderburg, de Keur, Look, van Schaik, Hunnings, Wolgard, Lalk, Joosten, Bossij, Bentinga, Jaspers, van Weem, van der Horst, van Grootveld, Werner, Lit, Heurekamp, Erkelens en Gosling.
Tot de gewonde officieren behoorden luitenant-kolonel Renno, ritmeester baron Kraaijenhoff, 1e luitenant Zuylikom (later aan zijn verwondingen overleden), 2e luitenant Muijzer, de opperwachtmeesters Heuvingh en Haag van Erkelens, wachtmeesters van Dijk, Meijboom, Stoltman, Braak en Stadtman.[13] Ook waren er vele dode en gewonde paarden. Fundter schrijft over deze dieren:
“Zonderlinge verschijnselen van gehechtheid aan hunnen meester of aan verkregene gewoonten heeft men op dien merkwaardigen dag, bij het paard, dat trouwe dier, kunnen opmerken. Er waren namelijk vele, die hunnen leidsman verloren hebbende, bij alle bewegingen des regiments, hunne plaats in het gelid boven de vrijheid verkozen; dit was niet alleen het geval bij dezulken die geen letsel hadden bekomen, maar ook jammerlijk verminkten kwamen al huppelend of steunende na, en lang bleef een paard van den ouden braven (dragonder) Loos, bij het lijk van zijnen weldoener staan.
Naar Frankrijk
In de hierop volgende dagen ontstond onenigheid tussen de waarnemend regiments-commandant, majoor Von Staedel en de chef staf van de Cavalerie Divisie, luitenant-kolonel Hoynck van Papendregt. Hierdoor werd het regiment niet ingedeeld bij de achtervolgende troepen naar Parijs, maar bij de infanteriedivisie van Prins Frederik die noord Frankrijk moest veroveren. Dit gold overigens voor de gehele 1e Lichte Cavalerie Brigade, waarbij intussen ook het Regiment Lichte Dragonders No.5 (RD5) was ingedeeld. Dit laatste was het gevolg van een grotere reorganisatie waardoor de Nederlandse Cavalerie Divisie niet in drie, maar in slechts twee brigades was verdeeld. De 2e Lichte Cavalerie Brigade was opgedeeld waarbij RH6 naar de Zware Cavalerie Brigade was gegaan en RD5 dus naar de 1e Lichte Cavalerie Brigade.
In dit verband verplaatste RD4 via Bavé (21 juni) en Julmet (22 juni) naar de vesting van Le Quysnoy dat op 23 juni werd bereikt. Er werd een gevechtsformatie ingenomen en de overgave van de vesting werd geëist, wat de Franse bezetting afwees. De vesting werd vervolgens met artillerie beschoten en de troepen betrokken in de omgeving bivak. RD4 kwam in Villerspol terecht. Nadat de vesting zich op 1 juli had overgegeven maakte het regiment zich direct gereed voor afmars. In de nachtelijke uren werden de paarden beklommen. Fundter:
“…enige manschappen meenden de stroohutten in het bivouac niet te moeten laten staan, staken er een paar in brand en het vuur nam zoo spoedig toe, dat verscheidene goederen daarbij verloren gingen.”
De volgende ochtend werd gebivakkeerd in Sauttain, nabij Valenciennes om de overgave van deze vesting te bewerkstelligen. Bij de belegering van Valenciennes moest een paar keer ’s nachts of tegen de ochtend paarden worden bestegen en formatie worden ingenomen. Ook werden er artillerieduels uitgevochten en werden de wachtposten van RD4 beschoten. Er vielen geen gewonden. Op 21 juli gaf Valenciennes zich over en betrok RD4 in de omgeving kantonnementen. RD4 verbleef vervolgens in Saulsoir om pas op 18 september door te trekken naar de omgeving van Orchie. Hier bleef het totdat de terugmars naar Nederland kon aanvangen. In juli arriveerde overigens een aanvullingsdetachement uit het reserve eskadron wat in Luiks Hasselt lag. Later arriveerde ook de 6eKompagnie Vrijwilliger Jagers te Paard uit de provincie Gelderland. Deze eenheid stond onder bevel van ritmeester Grim. Ze werd aan RD4 toegevoegd.
Op 24 augustus verzamelde RD4 zich voor het vieren de verjaardag van Koning Willem I bij Noyelle-Sur-Selle. Hier werden ook decoraties uitgereikt. Luitenant-kolonel Renno mocht een Militaire Willems Orde 3e klasse ontvangen. De MWO 4e klasse werd toegekend aan de majoors Von Staedel en van Dam, de ritmeesters Koltrop, baron Kraaijenhoff en de Ginoux, de 1e luitenants de Bellefroid, van Guericke en baron van Alderwerelt Houttuijn, luitenant-adjudant Tieleman, de 2e luitenants Muijzer, de Loijs, van Eupen en Grothe, de opperwachtmeesters van der Werff, Haag van Erkelens, Fundter, Bosch, Heuvingh en Bouman, de wachtmeesters Bender, Walz, Doijen, Heinemann, Seiler, van der Vijzel, Stoltman, Weinmann, Kappelhoff, Gijzelaar, de Beus en Meijboom. Ook de korporaals Verweij, Kaaijen, See, Scholtz en de dragonders Holleboom, Kervesée en Janssens kregen een MWO 4e klasse toegekend, net zoals de vrijwilligers Jhr. Janssens, Rigot en Mascheck.
RD4 keert terug naar Nederland
Majoor Von Staedel vertrok in september weer naar het regimentsdepot en de waarneming over het commando werd in handen gelegd van majoor graaf van Hogedorp. Op 1 december marcheerde het gehele RD4 terug naar Nederland en bereikte via Masignes (1 dec), Antoine (2 dec), Kortrijk (3 dec), Arroye (4 dec) op 5 december Brugge. Twee eskadrons werden in Brugge gelegerd en twee in kantonnementen in de omgeving. Op 10 december werd de terugreis hervat en via Ecloo (10 dec), Gent (11 dec), Zeel (12 dec) op 13 dec Mechelen bereikt. Hier werd een rustdag gehouden. Op 15 dec bereikte RD4 Heerenhout en kwam via Lommel (16 dec), Weert (16 dec) op 18 dec in Heur aan. In Heur splitste het regiment zich. De staf en de vier eerste compagnieën gingen naar Roermond, de laatste vier compagnieën naar Venlo. Omdat vanwege de hoge waterstand de Maas nog niet kon worden overgestoken moesten deze laatste eenheden tot 25 dec in de omgeving van Kessel verblijven. Het reserve eskadron van het regiment lag in Luiks-Hasselt en telde veel vrijwilligers en van hun verwondingen geheelde manschappen. Het reserve eskadron werd opgeheven en de manschappen werden in februari 1816 over de eskadrons verdeeld.
De legeringssituatie van RD4 was begin 1816 als volgt: de staf en 2e eskadron lagen te Roermond, het 1e eskadron in Luiks-Hasselt, het 3e eskadron te Venlo en het 4e eskadron te Maastricht. Het depot was in de voorgaande jaren uit Den Bosch vertrokken en was via verblijven in Tiel en Zaltbommel in februari 1816 ook in Maastricht neergestreken. Het 1e eskadron werd later nog heen en weer geschoven en eindigde via Tiel, Zaltbommel uiteindelijk ook in Maastricht. Op 1 januari 1817 verliet luitenant-kolonel Renno het regiment om het bevel over het 2e Regiment Kurassiers (RC2) over te nemen. Als dank hadden alle officieren zijn eerder toegekende MWO laten versieren met briljanten en de Koning om toestemming verzocht hem dit te mogen laten dragen. Het commando over het RD4 werd overgenomen door luitenant-kolonel Hoynck van Papendregt. In augustus 1817 werd de oorlogsbuit die tijdens de Waterloo veldtocht op de Fransen was buitgemaakt en de opbrengst van de hen opgelegde financiële lasten, verdeeld over de leden van het regiment. Er werden een onderverdeling in zes klassen gemaakt. De dragonders ontvingen ieder een gratificatie van fl. 29 en de onderofficieren fl. 217.
Het regiment krijgt de Standaard en vertrekt naar het zuiden
Op 1 oktober 1818 trokken het 1e en 4e eskadron vanuit respectievelijk Zaltbommel en Maastricht naar kantonnementen ‘aan den Reuver’[14] om ter plaatse een oefening te houden met het 2e en 3e eskadron die uit Roermond en Venlo kwamen. De oefening duurde twee weken. Op 25 november werd vanwege bezuinigingen het treurige besluit genomen om het depot op te heffen, de sterkte van de compagnieën tot 99 man en 85 paarden terug te brengen en de ritmeesters in twee (betaal)klassen te verdelen. Op 8 oktober 1820 werd aan het regiment op een veld buiten Maastricht met veel ceremonie een Standaard uitgereikt. De eenheden uit Maastricht (destijds staf, 1e en 4e eskadron) stonden volledig aangetreden en de andere twee eskadrons hadden detachementen afgevaardigd. Het regiment stond afgestegen in een vierhoek aangetreden. De luitenant-generaal van Heldring, bevelhebber van het 5e Groot Militair Kommando[15] reikte de Standaard uit.[16] Hij hield een toespraak terwijl hij het standaard vasthield:
“Officieren, onderofficieren en dragonders! Ook bij u heb ik, in den naam des konings, de eervolle taak te verrigten, om deze gids op het spoor des roems, aan U te overhandigen. Van nu af zij ook voor U deze leeuw, het heiligdom van uwen moed, van uw beleid, van uwe trouw. Ik zie het, dragonders, gij staart oop de deze schoone belooning voor de liefde aan uwen koning en uw vaderland, zoo schitterend beloond, in de vlakte van Waterloo, het graf van zoo vele uwer wapenbroeders. Ja, dragonders, met regt zijt gij trotsch op deze verdienden standaard, want gij waart trouw en braaf. Aan hen dan ook, die uwen behaalden roem met hun leven kochten, zij voor allen dit plegtig oogenblik gewijd; vergeet hen nooit, dragonders, want, hoezeer zij niet meer tot uw getal behoorend, blijven zij echter de eersten onder U. Uwe schoone houding zou op zich zelve een waarborg zijn, voor deze edelen standaard; maar ik weet het, gij verzekert zijnen onbevlekten roem nog volkomener, door uwen goede geest, en door het hart, dat gij uwen koning en vaderland toedraagt. Bewaart dan ook dien verkregen roen, door een gedrag, den waren soldaat, Uzelven waardig, en, zoo gij op nieuw den sabel moest trekken, verliest dan dezen standaard niet uit het oog, want, door onze dappere prinsen den weg gewezen, zult gij hen altijd dáár vinden, waar het 4de regiment moet zijn, op het pad der eer en in het midden der vijanden….. Zweert met mij, brave dragonders, dat gij altijd zult zijn, wat gij reeds waart, wat gij nog zijt, zweer op uwen standaard: Trouw aan den Koning, Gehoorzaamheid aan de wetten en Onderwerping aan de krijgstucht.”
Hierop staken alle officieren, onderofficieren en manschappen de blote hand in de lucht en riepen:
“Dat zweren wij! Leve de Koning!”
Hierna overhandigde de generaal de Standaard aan de regimentscommandant kolonel van Hoynck van Papendregt. Deze hield daarna een toespraak:
“Het regiment, dat ik de eer heb te commanderen, is met regt gevoelig aan ’s konings nieuwe blijk van vertrouwen, wees onze tolk bij Hoogst denzelven, en verzeker Zijne Majesteit, dat wij ten allen tijde bereid zin, deze standaard, waar zulks behoort, met eer en pligt te verdedigen.”
Hij gaf daarna de Standaard over aan de vanwege dapperheid (en verwondingen) op het slagveld van opperwachtmeester tot kornet bevorderde H. Heuvingh en die tot standaarddrager was benoemd. Hij vroeg hem:
“en gij kornet, aan wien ik denzelven thans overhandig, zweer met ons, dit vereerend pand, tot uwe laatste ademhaling te zullen bewaren.”
Kornet Heuvingh was zo door emotie overmand dat zijn antwoord onverstaanbaar was.
Vanaf 16 september 1821 werd en er weer regimentsoefeningen gehouden ‘Aan den Reuver’. Dit keer geen twee maar vier weken. Hetzelfde vond plaats vanaf 19 september 1823. Dit keer echter in groter verband, namelijk in divisie verband. RD4 werd dan ook vergezeld door RD5, RH6 en RH8 en een batterij rijdende artillerie. De oefenomgeving was rond Ravels[17] (noord van Turnhout). Het geheel stond onder commando van luitenant-generaal Trip. RD4 betrok kantonnementen in Baarle Hertog en Baarle Nassau, Sondereijgen en Merxplas. Op 21 oktober was de oefening voorbij en werd de divisie weer naar de garnizoenen terug gestuurd.
Op 3 december 1824 werd er weer eens bezuinigd en een reorganisatie voor de cavalerie vastgesteld. De militie werd ingevoerd die het gebrek aan vrijwillig dienende ruiters moest opvullen. De sterkte van de compagnieën bleef op 99 hoofden, maar hierbij zaten wel 20 ‘miliciens’. De sterkte van de paarden werd hiermee wel gereduceerd tot 77 per compagnie. De ‘miliciens’ werden kennelijk geacht hun eigen paarden mee te brengen.
Op 21 mei 1826 verliet RD4 de omgeving van het Maasdal (Maastricht) en werd het compleet in Mechelen verzameld. Hier werd veel energie gestoken in het vormen van het regiment, het exerceren en het aantrekken van de krijgstucht. Op 1 september 1827 werden twee eskadrons naar een oefening van de brigade van generaal-majoor Jhr. Boreel gestuurd. Elk regiment van diens brigade diende twee eskadrons naar deze oefening te sturen, zo ook RD5, RH6 en RH8. De bedoeling van de oefening was om met de vier afgevaardigde dragonder en de vier huzaren eskadrons tijdens de manoeuvres elk twee regimenten te vormen, maar voor de rest wel apart gebivakkeerd te blijven. De regimentscommandogroepen, standaarden en regiments-muziekkorpsen werden door RD4 en RH6 geleverd. De speciaal voor deze oefening gevormde brigade met dus een samengesteld dragonder en huzarenregiment ging vervolgens naar de bekende heide bij Ravels om hier samen met de 6e, 15e, 16e, en 17e afdeling infanterie en een veld- en rijdende batterij artillerie te oefenen. Het geheel stond onder leiding van de luitenant-generaal De Eerens.[18] Fundter schrijft hierover:
“Een eskadron moest met de infanterie kamperen. Deze manoeuvres hadden gewoonlijk driemaal ’s weeks plaats, en op de andere dagen maakte de cavalerie doorgaans velddienst. Den 8. der volgende maand werd het korps weder ontbonden.”
Tijdens deze oefening werd de regimentscommandant luitenant-kolonel Hoynck van Papendregt door generaal-majoor Boreel weggestuurd. Majoor De Thierry nam het commando over de twee dragonder-eskadrons van RD4 over en het regimentscommando werd overgenomen door luitenant L. Crooij[19]. Deze gebeurtenis maakte diepe indruk op het gehele regiment. Fundter vertelt hierover:
“Bij het vertrek van den kolonel, had bij het regiment eene grievende gebeurtenis plaats, die niet alleen door zijn vertrek, maar ook door eene andere omstandigheid veroorzaakt werd; namelijk om op last van den brigade-commandant, den standaard, gedurende den nog loopenden exercitie-tijd, aan den luitenant-kolonel graaf De Roisin, van het 5de dragonders in bewaring te geven. Zoo als hooger is aangemerkt, moesten de vier eskadrons van de beide dragonder-regimenten slechts gedurende de exercitie een geheel uitmaken; doch overigens op zichzelf blijven; nu was het niet genoeg, dat de kolonel gedisgraciëerd werd, het regiment moest ook daarin deelen; een ander regiment moest nu den standaard bewaren, die het door den koning toevertrouwd was en waarom het zich steeds schaaren moest.”
RD4 naar Brussel
Op 15 oktober 1828 werd het 1e eskadron van RD4 naar Brussel gestuurd om dienst te doen bij het Koninklijk Paleis. Het eskadron stond onder bevel van majoor van Campen. Op 8 september 1829 werd opnieuw een samengestelde oefening georganiseerd door generaal-majoor Boreel. Opnieuw stuurde RD4 twee eskadrons naar de heide bij Ravels om daar samen met andere eskadrons, infanterie en een batterij rijdende artillerie te manoeuvreren. De kantonnementen lagen wederom bij Baarle Hertog, Baarle Nassau, Sondereijgen en Merxplas. De twee samengestelde cavalerieregimenten stonden onder commando van de regiments-commandanten van RH8 en RD5. Een maand later was de oefening voorbij en keerden de eskadrons terug naar de moederregimenten. Luitenant Fundter heeft dit keer een uitgebreide beschrijving van de oefening. Niet alles ging goed:
“Er werd veel, vlug en goed gemanoeuvreerd. Eenige malen had er velddienst plaats. Eens moesten van ons zamengesteld regiment, één eskadron Sondereijgen bezetten, en de voorpostendienst voor een te Merxplas gelegerd korps verrigten; de drie overige eskadrons zich te Baerle Nassau verzamelen, eene verkenning naar des voorgestelden vijands zijde doen, vervolgens het eskadron van Sondereijgen tot naar Merxplas terugwerpen, voor den nacht aan weerszijden het bivouac betrekken en de noodige veiligheidsmaatregelen nemen. Alles had bij de uitvoering goed gegaan, maar op het bivouac werd het koud; de manschappen veroorloofden zich des avonds rondom hout op te halen en vuren te maken; later begon het te regenen, en tegen tien ure des avonds was men doornat, om welke reden de generaal gelastte naar de kantonnementen terug te keeren. Tot den terugmarsch verzamelden den kompagniën zich bij hunne vuren, en trokken geregeld af. De weg welke naar Baarle Hertog en Nassau leidt, was breed, doch de bruggen, die over de sloten lagen, welke den weg doorsneden, waren niet breeder dan eenen boerenwagen en hadden op de hoeken een schuins naar buiten loopend stuk hout. Het was duister. Van de vooraan marcherenden hadden eenigen tegen deze palen gereden, waardoor het overhellend eind naar binnen kwam te staan, en den doorgang vernaauwde; er werd halt gehouden, alom herhaald en een oogenblik daaraan voldaan; maar toen dit te lang scheen, schoof men weldra op; verscheidenen vielen in de sloten; in plaats van met tweeën te zijn, had men een front van de breedte des wegs. De marsch werd dan weder herhaald, dan om dezelfde reden gestaakt; de geheele troep was door elkander; eindelijk nam ieder den weg naar zijn kwartier; doch vele kwamen eerst den volgenden dag teregt, hetgeen insgelijks met eene kompagnie van het 5de dragonders het geval was, die, om den kortsten weg op Alphen te nemen, door de heide ging, noodschoten deed, en alzoo den dag moest afwachten.”
1830 was een woelig jaar. In heel Europa waren onlusten, vanwege forse belastingdruk en voedselschaarste. Ook in de Zuidelijke Nederlanden kwam men in opstand tegen het Nederlandse bewind. Men voelde zich in het Zuiden achtergesteld en niet evenredig vertegenwoordigd in de staatslichamen. Op 15 juli 1830 werd daarom opnieuw een eskadron naar Brussel gestuurd om wacht te lopen bij het Koninklijk Paleis en te helpen bij de beveiliging ‘Tentoonstelling van de Voortbrengselen van de Nationale Nijverheid.’ Dit was het 2e eskadron van de ritmeesters van Guericke en Kenens. Andere officieren bij dit eskadron waren de 1e luitenants De Marneffe en baronde Cassal de Bomal en de 2e luitenants prins de Looz de Corswarem en graaf de Marnix van St. Aldegonde.
De stijgende spanning had tot reorganisaties bij RD4 geleid. De toeloop van vrijwilligers was gestegen onder meer door de in 1824 ingestelde medaille voor trouwe dienst (inclusief het hieraan verboden extra geldbedrag). De inspecteur der cavalerie, luitenant-generaal Trip, had bovendien toestaan om extra manschappen aan te nemen ter voorafgaande compensatie van de manschappen die in de eerst volgende drie maanden de dienst zouden verlaten.[20] De aangetrokken ‘miliciens’ dienden allemaal twee jaar, zodat er na opleiding, tijd overbleef om ze goed in de regimentsrangen te integreren. RD4 had echter ook mannen moeten afstaan. Er vertrokken mannen naar de marine, naar het nieuw opgerichte Regiment Hussaren No.7 (RH7), naar het ‘korps ordonnansen’ van de generale staf[21] en naar de nieuw Maréchaussee eenheden in Vlaanderen en Noord-Brabant. Ook de nieuw opgerichte cavalerie eenheden regimenten Kurassiers en een Regiment Cavalerie voor Java werden door RD4 mannen afgestaan.
De toeloop was groot en de meeste mannen tekenden voor tien jaar dienst. Ook de paarden waren in topconditie, hetgeen voor een groot deel toegeschreven werd aan de regiments paardenarts Ludwich. Hij diende lang bij het regiment en kende elke paard afzonderlijk. Hoewel de conditie van de paarden goed was, bleef hun aantal beperkt tot de verordonneerde 77 per compagnie. Man en paard vormden een eenheid. Fundter:
“Ieder man reed zijn eigen paard, en een dragonder het paard afnemen, was de hoogste straf, welke men hem oplegde.”
Om de rijvaardigheid en africhten van paarden te verbeteren werd er in 1830 een rijschool in den Haag opgericht. Van ieder cavalerieregiment moesten twee onderofficieren als instructeur daar naar toe worden gestuurd.
Fundter vertelt verder over de oefeningen en paardrijden binnen het regiment:
“De regiments-exercitiën hadden veel plaats doch alleen gedurende de zomermaanden; goed geslotene frontmarschen, formatiën en zwenkingen werden in alle gangen uitgevoerd. Des winters was de rijbaan altijd bezet, en de overige manschappen gingen wandelrijden; eens in de week had dit in marschtenue plaats. De wapens wist men goed te gebruiken.”
De uitrusting was in deze periode goed. Omdat de eskadronscommandanten zelf aannemers konden uitkiezen om kleding en uitrusting te vervaardigen was dit soms van betere kwaliteit als datgene dat van rijkswege werd verstrekt. Over de individuele instructie en mogelijkheden tot promotie vertelt Fundter:
“De scholen, sedert 1815 ingesteld, werden des avonds door die onderofficieren en korporaals bijgewoond, welke zulks noodig hadden; dragonders werden insgelijks op deze toegelaten, indien zij dit door hun gedrag verdienden; overigens goed reden, een goed voorkomen, en aanleg hadden, ook een goed onderofficier te worden. Het militair principe ging hier voor het geleerde. Men was van mening dat het rapport, door een onderofficier ingezonden, toch goed kon zijn, al waren er vele taalfouten in; misschien waren zij om die reden ten achteren in de geschiedenis en aardrijkskunde, en meer andere wetenschappen, doch dit werd rijkelijk vergoed, door dat de meesten in staat waren, bij alle gelegenheden hunne pligten te vervullen, den soldaat af te rigten en een peloton te geleiden.”
Er werden tijdens het onderwijs veel voorbeelden uit de praktijk gebruikt: “De voorbeelden ter naschrijving op de scholen, waren gewoonlijk getrokken, uit derzelver pligten op marsch, op veldwacht of op de voorposten.” Behalve over puur militaire onderwerpen werden er ook muzieklessen, zanglessen, schermlessen en verbindingslessen gegeven. Voor onderofficieren en officieren was er zelfs hoger onderwijs georganiseerd.
Het regiment werd periodiek geïnspecteerd over de mate van getraindheid. Eén keer per jaar door de brigadecommandant en twee keer per jaar door de inspecteur van de cavalerie. De discipline was streng, maar de sfeer was goed. Fundter schrijft:
“De krijgstucht was streng. Men diende met genoegen. Men had vooruitzigt. Tusschen de officieren en manschappen der verschillende gedeelten van het rijk, heerschte de meeste eensgezindheid, welke tot het laatst is blijven bestaan.”
Opstand in Brussel
In augustus 1830 kwam het in Brussel tot relletjes die uitliepen op een volksopstand. Het 2e eskadron van ritmeester van Guernicke was juist in die dagen (vanuit Mechelen) in Brussel aanwezig om te helpen bij een beveiliging van een grote tentoonstelling en dienst te doen als beveiliging van het Koninklijk Paleis. Fundter:
“de dienst voor deze gedetacheerden was zeer ligt; het leven was er van zelven aangenamer dan in een klein garnizoen, zoodat ieder den korten tijd dien hij daar blijven zou, zich zocht ten nutte te maken.”
Op 25 augustus 1830 werd in de Muntschouwburg in Brussel de opera La Muette de Portici (De stomme van Portici) opgevoerd, ter gelegenheid van de verjaardag van koning Willem I. Het stuk ging over een opstand tegen de napolitaanse koninklijke garde. Bij de aria Amour sacré de la patrie (De heilige liefde voor het vaderland) sloeg de vlam in de pan.[22] Rond de Brusselse schouwburg had zich al een groep relschoppers verzameld en zij kregen gezelschap van tientallen bezoekers van de schouwburg. Gezamenlijk sloegen ze ruiten in, plunderden ze winkels en verzamelden ze wapens. De geest was uit de fles. Het was het begin van de Belgische opstand, het startsein van een onafhankelijk België. Officieren van het 2e eskadron van RD4 bezochten juist op deze bewuste avond, omdat er in het thuisgarnizoen in Mechelen geen opera was. Fundter schrijft:
“..er van verwittigd, volgden zij den hoop waarbij de belhamels waren, om te zien wat het worden zou; doch toen zij den boekwinkel van den beruchten Libri-Bagnano[23] zagen plunderen en vernielen en het huis verwoesten, gingen zij oogenblikkelijk naar de kazerne, lieten zadelen en bleven op orders wachten. Deze kwamen ook weldra. Het eskadron steeg te paard en marcheerde naar het koningsplein…”

Ook werd er brand gesticht in het huis van minister Van Maanen, de drijvende kracht achter de omstreden taalpolitiek van de koning. Een boze menigte viel overheidsgebouwen aan, waarbij staatsemblemen werden vernield. Het 2e eskadron van RD4 bracht de nacht door afwisselend voor het paleis van de Koning en op het koningsplein staande. Het kreeg bevel een menigte in de Madelaine straat uiteen te drijven, maar dit bevel werd herroepen tijdens de mars in die richting. De verlaten kazerne in Brussel werd echter wel bedreigd. Luitenant Fundter schrijft:
“Toen het eskadron de kazerne verlaten had, beproefde een troep volks, om met geweld daarin te komen, ten einde zich van de achtergelatene wapenen, alsmede van de geweren der schutterij, die gedeeltelijk aldaar bewaard werden, meester te maken; doch de wachtmeester Vonck, die met eenige dragonders tot derzelver bewaking was achtergelaten, behield den post, door hem met de karabijn te verdedigen.”
De opstanden in Brussel konden die nacht nog enigszins onder controle gebracht worden. De volgende ochtend werden vanuit Mechelen ook het 3e en 4e eskadron onder leiding van luitenant-kolonel Crooij naar Brussel aangetrokken. Hierbij bevonden zich de officieren majoor De Thierry, luitenant-adjudant J.C. Fundter[24], ritmeesters Metelerkamp, baron Snouckart van Schouburg, Brion, Verhoeven, de 1e luitenants Haak, baron Thoe Schwartenberg en Hohenlandsberg, Mollinger, Klamberg en de 2e luitenants Frison, Happé, baron van Erp van ’t Holt en van Noord. Deze eenheden arriveerde rond 2 uur in de middag bij het koninklijk paleis. Helaas zonder munitie voor de karabijnen want die had een onderofficier van de infanterie voor vertrek nog uit een open kar gehaald omdat hij bang was dat die door vluchtelingen gestolen zou worden.[25] Luitenant Fundter:
“nog dienzelfden dag is de ritmeester Brion met den 1ste luitenant Haak en één peloton uitgezonden, om de patronen te halen; de manschappen hebben deze in hunne mondzakken geborgen, medegebragt.”

Het complete organieke Brusselse militaire garnizoen (2e bataljon grenadiers en het 2e bataljon jagers) had zich intussen in de nacht bij het paleis verzameld. Hierbij voegden zich het voor de tentoonstelling en feestelijkheden extra aangetrokken ‘flankbataljon der derde afdeling infanterie’ en het 2e eskadron van RD4. In de ochtend arriveerde vanuit Vilvoorde het reservebataljon van de 1eafdeling infanterie en aan het begin van de middag dus de twee extra eskadrons van RD4. Een half uur na de aankomst van de twee eskadrons verscheen de bevelhebber van de troepen in Brussel, generaal-majoor van Bijlandt. Op bevel werd een marsformatie aangenomen en ging het garnizoen op weg om Brussel uit te marcheren. De richting die genomen werd was tussen de paleizen door, langs de boulevard richting de Schaerbeekse poort. Halverwege werd echter omgedraaid en teruggekeerd naar het paleis. Luitenant Fundter vertelt over de mars:
“De voorhoede bestaande uit eene kompagnie grenadiers, onder den kapitein Sandberg, en een peloton dragonders, onder den 2de luitenant Frison, kon op de hoogte van de Leuvensche poort geweest zijn, toen een officier gezonden werd haar terug te doen keeren, de troepen volgden de voorhoede en namen stelling voor het paleis. Aldaar en in den omtrek werd alsnu gebivouacqueerd, en de nodige veiligheidsmaatregelen genomen. De nacht daarop werd onrustig doorgebragt; men was zeer op zijne hoede; onderscheidene malen stegen wij te paard; de veldwacht tegenover het park geplaatst, maakte valsch alarm, en evenwel bleef alles stil.
Het bleef in de dagen daarna onrustig in Brussel. Steeds braken rellen uit. Ook in het park tegenover het Koninklijk Paleis zat de Brusselse bevolking niet stil en nam de dreiging toe. Eerste luitenant Fundter:
“Den 28. begonnen de Brusselaars vroegtijdig de in het park opgeslagene planken, welke tot de verlichting ter eere van ’s konings geboortedag hadden moeten dienen, af te breken, daarvan hoopen te maken, en deze in brand te steken. Dit alles ging met een vreeselijk geschreeuw gepaard. Twee pelotons jagers schenen bestemd te zijn een einde aan die losbandigheid te moeten maken, en rukten tot dat einde aan de ingangen van het park, waarop men den hoop in het zelve vereenigd, naar alle kanten zag uiteen stuiven, en waarbij vele vrouwenhoeden en doeken achterbleven.”
De pelotons jagers werden teruggetrokken naar de directe omgeving van het paleis. De Brusselse bevolking begon zich te bewapenen en enkele milities te vormen. Naar hun eigen zeggen voor zelfverdediging. Enkele van deze gewapende burgers vielen de Nederlandse troepen aan. Fundter:
“’s Avonds van den 28. had men reeds een aanval van die burgers, op een troep gemeen, dat insgelijk nog gewapend was, plaats, waarvan er eenige gedood, en de overigen ontwapend werden. Onder de gesneuvelden bevond zich een kromme schoenmaker, die op krukken ging, de onze telkens uitjouwende, zonde dat men zich daarover durfde werken.”
De militairen kregen bevel om niet teveel geweld te gebruiken. Fundter:
“Lijdzaamheid was bevolen. Eens op een paar passen van den ritmeester Metelerkamp, die met zijne kompagnie te paard zat, werd een korporaal der grenadiers, hoewel hij zich daarbij dapper weerde, door het gemeen ontwapend. De bataillons-commandant Antingh, beklaagde zich hevig dat de ritmeester dit had toegelaten, de generaal was over deszelfs gedrag te vreden…”
Het werd rustiger in de stad. Zo rustig zelfs dat enkele officieren van RD4 bekenden of koffiehuizen in de omgeving van het bivak in de stad gingen bezoeken. Ook kwamen er vrienden op bezoek en werd er voedsel voor manschappen en paarden bezorgd. Luitenant graaf de Marnix van St. Aldegonde en een andere officier waagden zich zelfs rond het middaguur van 31 augustus tot aan het einde van de Madelaine-straat[26], waar het gewone dagelijkse leven hervat leek te zijn en niemand zich met hen bemoeide.
Overvallen door de gebeurtenissen weifelden de Nederlandse autoriteiten in Brussel over wat te doen. Van generaal-majoor van Bijlandt ging geen enkel initiatief uit. Hij wilde geen enkel risico op escalatie. Dit leidde tot een fiks meningsverschil tussen hem en de regimentscommandant RD4, luitenant-kolonel Crooij die aandrong op betere militaire voorbereidingen voor een hervatting van de belegering of voor een terugtocht. De regimentscommandant besloot vervolgens zelf actie te ondernemen. Luitenant Fundter schrijft:
“Op den nacht van den 31. Augustus dat wij weder met de paarden aan de hand, en de infanterie met het geweer bij den voet, op den boulevard nabij het paleis van den prins Van Oranje aangetreden waren, ontstond tusschen den generaal graaf Van Bijlandt en den chef van het regiment een verschil, over de te nemene maatregelen, ingeval van terugtogt. Het gevolg van dit gesprek was, dat laatstgenoemde een officier gelastte, om met een peloton naar de Namensche poort te trekken, en de aldaar met het versperren van den weg bezig zijnde lieden te verzoeken, daarmede op te houden, of hen des noods daartoe te dwingen. De weinige menschen daar ter plaatse, voldeden aan het verzoek, en tot wacht bleef er de korporaal Heijthuizen met vier dragonders staan.
De regiments-commandant liet nog meer voorzorgsmaatregelen nemen door zijn manschappen.
“Om zich een weg ingeval van terugtogt te verzekeren, liet de chef van het regiment, den volgende morgen, het noodig aantal balken en planken uit het paleis van Z.K.H. den prins Frederik, alwaar deze voorwerpen tot bouwen dienden, weghalen, en daarvan eene brug over de drooge gracht, achter het paleis van Z.K.H. den prins van Oranje slaan, breed genoeg, om er met vieren te kunnen overtrekken. Allen die tot het regiment behoorden, sloegen handen aan het werk, en de luitenants van den generalen staf: Normandie St. Jacob en Goffin namen de uitvoering op zich.”
Intussen werd er onderhandeld tussen de Brusselaren en Nederlandse autoriteiten. Willem I wilde niet opnieuw schieten op zijn onderdanen want bij de ongeregeldheden op 25 en 26 augustus waren al tientallen doden gevallen. Ook de militaire autoriteiten wilden bloedvergieten voorkomen. Het machtsvacuüm gaf lucht aan de opstandelingen die een voorlopig bewind vormden. Intussen bracht prins Frederik Hendrik (de tweede zoon van de Koning) als opperbevelhebber van het leger, de eenheden buiten Brussel in gereedheid. In Vilvoorde werd een legermacht van 6.000 man verzameld om zo nodig in Brussel in te kunnen grijpen. Op 30 en 31 augustus werd er in Den Haag onderhandeld. Die liepen op niets uit. De Kroonprins werden daarop door de Koning vanuit Vilvoorde naar Brussel gestuurd, zonder zware militaire escorte om nieuwe samenwerkingsvormen tussen Noord en Zuid voor te stellen. Luitenant Fundter, zelf aanwezig bij het koninklijk paleis in Brussel, ervoer de situatie als volgt:
“De Brusselaars beschouwden deze brug als te moeten dienen, om de troepen, die men geweigerd had in de stad te laten, daarover te doen binnenkomen. Toen later Z.K.H. de prins Van Oranje in de stad kwam, was het een hunner beden, de brug te mogen afbreken, hetgeen toegestaan en met veel gejuich uitgevoerd werd.”
De gevechtsvaardigheid van de troepen in Brussel werd intussen verminderd. Fundter:
“Door de getroffene overeenkomst, dat Z.K.H. de prins Van Oranje Brussel zou binnentrekken, kwamen wij mede onder sauvegarde[27] der bevolking. De troepen verlieten in den morgen van den 1. September hunne posten, en betrokken de tuinen, binnenplaatsen en koetshuizen der paleizen. Hierbij plaatste men de infanterie achter hooge muren; het regiment nam bivouac in den tuin rondom het paleis van den prins van Oranje, waarvan twee zijden door ijzeren hekken ingesloten werden, uit de nabijzijnde koetshuizen gedekt wordende door een peloton grenadiers, onder bevel van den 1e luitenant De Jacobi.”
De intocht van de Kroonprins (held van Waterloo) in Brussel verliep niet zonder incidenten. Een escorte van een wachtmeester met zeven dragonders begeleiden hem tot de stadspoort.[28] Daarna ging de Kroonprins met slechts negen ruiters verder en trok door een zwijgende mensenmenigte verder naar het stadhuis. Daar werden toespraken gehouden, doch de luisterende menigte werd onrustig. Het paard van de Kroonprins steigerde en met zijn hoeven raakte die een omstander die gewond neervalt. De Kroonprins zette zijn paard vervolgens in galop en wist galopperend het paleis te bereiken, gevolgd door de andere ruiters. In de tuinen van het paleis stonden de detachementen infanterie en cavalerie opgesteld. Luitenant Fundter beschrijft de aankomst van de Kroonprins bij het paleis:
“Na verloop van een paar uren kwam aldaar Z.K.H. de Prins van Oranje, gevolgd door deszelfs adjudanten, den luitenant-kolonel Dumonceau en graaf van Limburg Stirum, en iemand in burgerkleeding, in galop aan; iets later volgden meer andere heeren, en nog later waren er nog meerdere de paard. Door dat alle nieuwsgierigen de intrede des prinsen hadden willen zien, was het in onze omtrek anders zoo woelig, zeer leeg en stil geworden; doch niet lang duurde dit na de komst van Z.K.H. In ons midden, voort, of alles stroomde naar de bovenstad, en omringde het paleis.
Na een uur inspecteerde de Kroonprins de troepen en sprak hen toe:
“Z.K.H. kwam het regiment in oogenschouw nemen, ging door de gelederen; (de manschappen waren afgestegen); sprak hen aan; en ofschoon er volgens soldatengebruik stilte heerste, verraadde evenwel ieders aangezigt de vreugde, die het binnenste gevoelde, van hunnen prins te kunnen beschermen. Onze zangers, hieven des avonds bij een helder maanlichte eenige vrolijke liederen aan, welke Z.K.H. om middernacht kwam aanhooren. Na hoogstdeszelfs vertrek eindigde ook de zang, en gingen de woorden: “opstangen en op zijne hoede zijn”, zacht van mond tot mond.”
Hoewel dapper uitgevoerd haalde ook de onderhandeling, geleid door de Kroonprins niets uit, ondermeer doordat de Kroonprins andere voorstellen deed dan hem vanuit Den Haag was medegegeven[29]. Op 2 september werd er onderhandeld met de Belgen. Op dezelfde dag keerde echter de Belgische onderhandelingsdelegatie uit Den Haag terug met de afwijzende houding van Koning Willem I. Hierdoor kwam er weer een geladen spanning in de stad te hangen en de Kroonprins kon ook niets meer bereiken. Op 3 september verliet de prins Brussel weer, samen met de voltallige bezetting. Brussel kwam in handen van de opstandelingen. Fundter schrijft hierover:
“Tegen den middag van den volgende dag verliet Z.K.H. de stad, en werd door eene eerewacht van burgers, begeleid. Eenigen tijd later marcheerde ook de bezetting af, om zich met de troepen bij Vilvoorden gelegerd, te vereenigen, den weg Evere nemende. Buiten de stad zijnde, ging de generaal Abeson vooruit; een officier des regiments werd medegezonden, om aan Z.K.H. den prins Frederik te vergunning te vragen, dat het regiment naar Mechelen mogt doorgaan.”
RD4 kreeg inderdaad toestemming om naar het thuisgarnizoen in Mechelen te gaan, maar hier hadden de het 3e en 9e Kurassier regiment reed bezit genomen van de kazerne en de stallen. Daarom moest er in de omgeving bivak worden betrokken. Enkele dagen later kon wel de kazerne weer worden betrokken. Op de terugmars was de 1e compagnie (1e eskadron) onder leiding van Henkart bij Vilvoorden opgepikt. Deze eenheid had eerder op 26 augustus Mechelen verlaten en gesommeerd om naar Vilvoorden te gaan. Ook de 1eluitenant Heuvingh en de 2e luitenants baron van Heerdt en Kicherer bevonden zich bij deze compagnie. De 2e compagnie (ook behorende tot het 1e eskadron) was te Mechelen achtergebleven. Deze compagnie werd gecommandeerd door ritmeester Thesingh. De officieren waren 1e luitenant à Meinsma Bruin en de 2e luitenants Jhr. Bosch van Drakenstein en Willich. Deze compagnie had niet stil gezeten in Mechelen en kleine verkennings- en beveiligingsdetachementen naar Kampenhout, Antwerpen en Brasschaat gezonden. De rest van de compagnie was in reserve gehouden. De 1e luitenant à Meinsma Bruin had met een dragonderdetachement van de 2e compagnie nog deel uitgemaakt van de kolonne die onder leiding van generaal Trip Leuven tot overgave had proberen te brengen. Toen het RD4 compleet in Mechelen was verzameld werden door de compagnieën beurtelings van 3 tot 20 september detachementen uitgezonden naar omringende plaatsen. Het 2e eskadron werd bovendien weer naar Vilvoorden gezonden en de 6ecompagnie naar Kampenhout.

De aanval op Brussel
Willem I zag de hervormingen die de Brusselaren eisten niet zitten en liet zijn leger in gereedheid brengen om de opstandelingen de les te lezen. Terwijl de Belgen in Brussel zich snel militair versterkten, maakte het Nederlandse leger zich daarom gereed voor de strafexpeditie naar Brussel. Volgens plannen zou Brussel met drie colonnes worden genaderd, die vervolgens door de Willems-, de Schaerbeekse en de Leuvense poort de stad zouden binnen trekken. Tegelijkertijd zou er een schijnaanval op de Vlaamse poort worden ingezet. In het geheel zouden 9.900 man naar Brussel opmarcheren, bestaande uit 8150 man infanterie en 1740 ruiters met 26 stukken geschut. Onder de troepen waren vele Zuid-Nederlanders die zouden overlopen.
De aanval van de drie colonnes was geconcentreerd op de bovenstad waar het park, de kazernes en de paleizen gelegen zijn. Er werd geen voorafgaand artilleriebombardement gepland en ook geen pogingen ondernomen om alle andere poorten te blokkeren om zodoende de stad van de buitenwereld af te sluiten. Op 23 september zou de aanval worden ingezet.

In de dagen voorafgaande aan 23 september waren eenheden van RD4 samen met infanterie in de weer geweest om verzamelgebieden en naderingsroutes te zuiveren van opstandelingen. Het 1e eskadron onder leiding van majoor Mertens ging samen met een bataljon grenadiers op 20 september van Mechelen aar Vilvoorden en voegde zich de dag erna op 21 september bij het 2ebataljon jagers te Dieghem met de opdracht om gezamenlijk St. Steven te bezetten. Het 2e eskadron van RD4 werd van Vilvoorden naar Evere gezonden onder leiding van majoor De Thierry. Hier werden ze met geweervuur ontvangen en trokken terug tot Dieghem. De majoor De Thierry en ritmeester Kenens werden gewond. Voor hun optreden tijdens dit gevecht werd de ritmeester Kenens later met de MWO gedecoreerd en de dragonder Mispel eervol vermeld. Van het 3e eskadron werd de 5e compagnie naar Vilvoorden gezonden, terwijl de 6e compagnie nog altijd te Kampenhout verbleef. Door onachtzaamheid vond bij de 6e compagnie een ongeluk plaats, waardoor dragonder Hendriks een hand verloor en een paard werd gedood. Het 4e eskadron marcheerde op de avond van 20 september samen met een batterij rijdende artillerie naar Sems. Hier nam de regimentscommandant, luitenant-kolonel Crooij op 21 september het bevel over de complete kolonne op zich, marcheerde het geheel naar Dieghem. Met alleen het 4e eskadron alleen ging hij vervolgens naar St. Stevens Wolume, waar het 1e eskadron en het 2e bataljon jagers zich bevonden. Hier waren er op die dag schotenwisselingen met opstandelingen geweest. Deze schotenwisseling op 21 september was het gevolg van een geïmproviseerde aanval van Belgische opstandelingen om de troepenconcentratie te hinderen. In de avond trok alles op Dieghem terug, waar op 22 september de drie eskadrons (1e, 2e en 4e eskadron) in de vlakte van Dieghem verenigd waren. Het 1e eskadron onder ritmeester Henkaart, werd in de late middag van 22 september naar Drie Fonteinen gezonden om aan de aanval op Willemspoort deel te nemen. Het 2e en 4e eskadron werden ingedeeld (samen met de regiments-commandogroep) bij de aanval op de Schaerbeekse poort. RD4 was dus verdeeld in twee groepen en was dus met onderdeel van de aanvallen op twee poorten van Brussel. Het 3e eskadron was achtergebleven in de omgeving van Vilvoorde en Kampenhout en voerde daar flank- en rugbeveiligingsmaatregelen uit.
Eerste luitenant Fundter schrijft over de aanval op Brussel:
“Voor dat de dag van den 23. nog aangebroken was, stegen het 2e en 4eeskadron te paard, om zich onder den regimentschef bij de kolonne, die den hoofdaanval van de zijde van Schaerbeek moest ondernemen, te voegen. De marsch derwaarts ging onafgebroken tot digt bij het hek der stad door; alstoen moesten de eskadron achter de batterij van den kapitein Dinaux, op last van den kolonel List, blijven staan, en namen vervolgens op een pleintje, bij de woning van den burgemeester van Schaerbeek, alwaar Z.K.H. de prins Frederik bevond, stelling. Des avonds laat betrokken zijn bivouac bij Evere, tegenover dat der reserve-artillerie.

De nadering naar de Schaerbeekse poort verliep redelijk ongestoord, maar het hek en de poort zelf moesten met artillerie kapot geschoten worden, waarna de infanterie in stormpas de poort bestormde en de opstandeling van hun barricade voor de poort verdreef. Deze trokken zich echter terug naar een volgende barricade enkele honderden meters achter de poort. Generaal Constant de Rebecque bevond zich bij deze colonne kreeg een geweerschot in de onderarm, maar kon na verbinden van de wond de strijd voortzetten. Terwijl het gros van de artillerie en de dragonders buiten de poort in stelling bleven, drongen de infanteriedetachementen van de colonne verder de stad in. Het verzet nam echter toe en van alle kanten werd de colonne onder vuur genomen. Uit alle vensters en kelders van de huizen in de nauwe straten werd geschoten. Ook daalde er een regen van stenen, dakpannen en meubelstukken op de hoofden van de mannen neer. Als een barricade eenmaal door de troepen genomen en gepasseerd was, keerden de opstandelingen op hun stellingen terug om terugtocht te verhinderen en aantrekken van nieuwe troepen te bemoeilijken. Er ontstond verwarring en begin van paniek onder de Hollandse troepen. Ondanks de moeilijkheden en vooral door het energiek optreden van enkele officieren werd om half tien toch het park en de paleizen bereikt en bezet. Meer dan honderd manschappen, onderofficieren en officieren waren echter gedood, gewond of gevangen genomen door de opstandelingen. Ook de linkercolonne, die door de Leuvense poort de stad binnendrong, wist het park te bereiken en contact te maken met de middelste colonne. Men vreesde echter ingesloten te worden. De rechtercolonne, die via de Willems (Laekense) poort moest komen, was er echter niet geslaagd ver in de stad door te dringen en had zich weer uit de stad teruggetrokken. Bij deze colonne was het 1eeskadron van RD4 ingedeeld.
Fundter schrijft:
“het 1ste eskadron is, na den mislukten aanval op de Willemspoort, naar Drie Fonteinen terug getrokken. Bij hetzelve was een paard gewond.”
Ook de schijnaanval via de Vlaamsche poort, waar RH6 bij zat, had het zwaar te verduren gehad. Ze was er in geslaagd een aardig eind de stad binnen te dringen, maar had intussen in gedesorganiseerde toestand ook de stad verlaten.
De buiten de poort achtergelaten eskadrons van RD4 hebben ook vijandcontact. Luitenant Fundter:
“De dragonder Lapraille van het tirailleur-peloton, dat links om de stad onder den opperwachtmeester Fundter eenige manschappen verspreid had, werd doodelijk gewond, en de dragonder Coeckx daarbij gedood.”
De volgende dag is het plan om reserve-eenheden aan te trekken ter versterking van de troepen in de stad. Zo ook RD4. Fundter: “
Des anderen daags waren de eskadrons bij tijds weder in aanmarsch naar Brussel; doch kregen op weg last terug te keeren; de reserve-artillerie bij Evere geplaatst, te dekken, en detachementen tot veiligheid, naar de omliggende dorpen af te zenden.”

De reden dat de hernieuwde opmars niet doorging, was dat opperbevelhebber prins Frederik (die zijn commandopost dus in de burgemeesterswoning te Schaerbeek had ingericht) onder de indruk was geraakt van het hevige verzet van de Belgen en tot onderhandelingen had besloten. De toestand van de in het centrum gedeeltelijk ingesloten Nederlandse eenheden ging intussen zienderogen achteruit. Van alle kanten werden ze nog steeds beschoten en de opstandelingen organiseerden zichzelf steeds beter en werden zelfverzekerder. Er was veel verwarring en meningsverschillen binnen de Nederlandse militaire leiding. Niemand wilde de verantwoording nemen om artilleriebeschietingen op de stad uit te voeren of felle cavaleriecharges te gelasten. Generaal Constant de Rebecque wilde de strijd voorzetten, maar prins Frederik kwam steeds meer tot de conclusie dat er niets anders opzat dan zich terug te trekken. Een tussen oplossing om een reservedivisie onder leiding van generaal Cort Heyligers vanuit Limburg aan te trekken, werd te laat in werking gezet. Hoewel deze divisie in ijlmars kwam aanmarcheren, viel op 26 september in de middag de beslissing en kregen de Brussel binnengedrongen detachementen de order om in alle stilte de stellingen te verlaten. De terugtocht begon op maandagmorgen 27 september om half vier en verliep rustig. De troepen trokken via dezelfde poorten terug die ze op 23 september hadden veroverd. De verliezen waren aanzienlijk. Er waren 5 gesneuvelde, 32 gewonde en 7 gevangen genomen officieren. Voor wat betreft de manschappen waren deze getallen: 103, 599 en 158. Aan Belgische zijde werden de verliezen op 8000 man geschat, waarvan 456 gedood en 1226 gewond.[30]


RD4 was op 27 september van de Schaerbeekse poort in fasen terug gegaan naar de uitgangspositie de vlakte van Dieghem. Fundter schrijf over het begin van de terugtocht, die onder vijanddruk plaatsvond:
“Den 26.[31] zeer vroeg verlieten de troepen Brussel; kwamen door Evere; het 4e eskadron volgde, en alles nam eene stelling in de vlakte van Dieghem. Het 2e eskadron, 2 bataillons der 10de afdeeling en eene sectie rijdende artillerie, bleven te Evere onder den kolonel Van Quadt van Wickerath achter, en gingen, insgelijk tegen de middag, naar Dieghem. Des namiddags vertoonden zich buiten Evere, op een duizend passen van ons, eenige troepen der opstandelingen te voet en te paard. De ritmeester Van Guernicke vroeg en bekwam de vergunning, daarom jagt te mogen maken; hij trok daartoe slechts met één peloton af; de vijand hem ziende komen, nam de vlugt en kwam niet meer terug.
Op 28 september trok RD4 met al haar drie eskadrons terug naar Mechelen. Beveiligingsdetachementen werden hierbij achtergelaten bij Drie Fonteinen en Eppegem. Beide detachementen kregen enkele dagen later te maken met achterhoede gevechten met opdringende Belgen. Fundter beschrijft beide gevechten. Allereerst dat bij Drie Fonteinen:
“Dat te Drie Fonteinen, onder den 1e luitenant à Meinsma Bruin, heeft bij gelegenheid, dat onze achterhoede aldaar aangevallen en genoodzaakte werd te wijken, zich zeer onderscheiden, door zich op den vijand te werpen, deze terug te drijven, en aan onze infanterie den tijd gegeven, zich in eene gunstige stelling te plaatsen. Genoemd officier en de wachtmeester Rentema hebben daarbij uitgemund.”
Het detachement bij Eppegem verging het minder goed, ondermeer omdat Zuid Nederlandse militairen begonnen te deserteren. Fundter schrijft:
“De 2eluitenant baron Van Erp van ’t Holt, met het detachement te Eppighem geplaatst, meenende van door de genomen voorzorgen, aan zijnen troep eenig rust onder dak te mogen geven, had hetzelve in eene schuur vereenigd; dan de rust werd duur betaald. De korporaals Pèche en De Gavre, die op den 2. October voor de instandhouding der veiligheid uitgezonden waren, benevens de dragonder Briolant, welke op vedet stond, waren gedeserteerd; eensklaps vertoonde zich de vijand, door hen geleid, tegen middernacht voor de schuur, en gaf een salvo op het oogenblik dat de manschappen te paard wilden springen. De dragonder van Rijn en Roger benevens een paard werden gedood; de korporaal Adriaans zwaar gewond, viel in ’s vijands handen; de dragonders Rambaut, Storm, van Keerbergen en Op den Beek vermist, en de luitenant baron Van Erp van ’t Holt, benevens de wachtmeesters Wingers, de korporaal Mispel, de dragonders Thomas, Duchet, Benoit, Pirard, Huismans, Grabbée, Keulders, Hommen, Willems en Natha, ontkwamen te voet naar Mechelen; een dag later kwam ook Storm terug.”
Nu het tijdelijk bewind in België het besluit genomen had zich af te splitsen en een eigen staat te vormen, kwamen Zuid-Nederlandse militairen voor de moeilijke keuze te staan waar hun loyaliteit lag. Dit had ook invloed op RD4, waar immers de nodige Zuid Nederlandse militairen dienden. Majoor Mertens werd, vanwege zijn openlijke Zuid Nederlandse sympathieën op last van prins Frederik gearresteerd en naar de gevangenis in Antwerpen gebracht. Bij de latere opstand daar werd hij door de opstandelingen bevrijd. Eind september richtte RD4 in Bergen op Zoom een depot (en kledingmagazijn) in waar alle lichte gewonde manschappen en paarden konden helen. Naar het depot vertrokken ritmeester Kenens, de 1e luitenant Heuvingh (de Standaarddrager!), kornet Van der Werff en de 2e luitenant-kwartiermaker Van der Meer. Nar het depot werden ook Zuid Nederlandse militairen van het regiment gezonden, als ze aangaven niet langer tegen hun (nieuwe) landgenoten te willen vechten. Hier waren ook een paar officieren onder, namelijk majoor De Thierry, 1e luitenants De Marneffe en De Cassal de Bomal en de 2e luitenants Frison en de graaf De Marnix van St. Aldegonde. Verder waren ongeveer 13 manschappen gedeserteerd. Ook de regimentscommandant luitenant-kolonel Crooij besloot niet langer Noord Nederland te dienen. Hij vroeg om zijn pensioen en gaf het commando over aan luitenant-kolonel Van Campen. Deze laatste had als garnizoenscommandant van Mechelen niet aan de recente strijd deelgenomen. Hij moest het regiment tot een strijdbaar geheel houden. Hij had volgens Fundter echter:
“gedurende de laatste gebeurtenissen eene zware taak te volbrengen gehad, uithoofde de meeste troepen, en alle gewonden en gevangen, daarop gerigt werden. Hierbij werd hij echter op het ijverigst ondersteund door den officier van gezondheid der 1ste klasse Schmidt, en den kornet Van der Werff van het regiment.”
Op 6 oktober vertrok het RD4 (nog altijd 400 paarden sterk) vanuit Mechelen in globale richting Antwerpen naar Wilrijke en Hoboke. Op 17 oktober werd het naar Antwerpen aan getrokken omdat men beducht was voor opstanden in die stad. RD4 betrok stelling op het plein voor de citadel en zond verkennings- en beveiligingspatrouilles door de stad. Er werd af en toe geschoten. Luitenant Fundter:
“Omstreeks vijf uren in den namiddag ontstond geweervuur aan de Bagijnepoort; dadelijk trok de overste Van Campen met een detachement, op de esplanade in reserve gehouden; derwaarts; het gemeen had daar de wacht, door de 10eafdeeling bezet, willen overvallen; drie hunner waren daarbij gedood; de rust werd hersteld en ook voor dien dag bewaard. ’s Nachts bivouacqueerde het regiment op de esplanade.”
RD4 betrok vervolgens kwartier in de stad en betrok kazernes en stallen. Het gevaar van verdere desertie van Zuid Nederlandse dragonders van RD4 bleef dreigen. Fundter schrijft wat er gebeurde nadat de paarden op stal waren gezet en de manschappen naar de kazernes gestuurd:
“Niet lang was het daarin, of alle manschappen, zelfs de wachten, hadden deze verlaten, om zich in de omliggende herbergen, voor den doorgebragten kouden nacht, schadeloos te stellen. Deze herbergen waren weder goed van ronselaars voorzien. De chef van het regiment zich van dit alles weinig goeds belovende, reed naar den luitenant-generaal Chassé; vandaar terugkomende, werd er oogenblikkelijk te paard geblazen, en naar den vorige dag verlatenen kantonnementen terug getrokken, den 1e luitenant à Meinsma Bruin, met een detachement op de citadel latende. Bij dit vertrek mankeerden een vijftigtal manschappen, die echter des avonds allen weder aanwezig waren.”
Op 19 oktober trok het RD4 naar Brasschaat. Een detachement onder 2e luitenant van Noord bleef achter bij Boom. Terwijl het regiment door Antwerpen trok werd het eerder achtergelaten peloton op de citadel afgelost door het peloton van 2e luitenant Baron van Heerdt. Het eerst genoemde peloton keerde volgens orders op 21 oktober terug bij het regiment, het laatstgenoemde pas op 27 oktober. Op 21 oktober was het regiment doorgetrokken naar Loenhout.
Zuid-Nederlandse militairen treden uit
Om de interne orde in zijn leger te herstellen en de betrouwbaarheid te verhogen, verleende Koning Willem I op 26 oktober aan alle Zuid-Nederlandse militairen verlof om uit hun regimenten te treden en zich naar huis te begeven. In de noordelijke Nederlanden ontstond daarop een volksbeweging gevoed door verontwaardiging over afscheiding, waarbij vele vrijwilligerskorpsen werden geformeerd, voornamelijk lichte infanterie.
Ook binnen RD4 konden Zuid-Nederlanders uittreden. Op 26 oktober verzameld op in Loenhout werd aan het Regiment de order voorgelezen waarbij aan de Zuid-Nederlanders eervol ontslag uit ’s Koningsdienst werd verleend. De militairen die de eenheid verlieten kregen een paspoort. Fundter schrijft hierover:
“Den 24. Daaropvolgend ontving de chef een aantal paspoorten, om dezelfve aan die der Zuid-Nederlandsche onderofficieren en manschappen uit te reiken, welke deze verlangen mogten. Tot dat einde verzamelde het regiment den volgende morgen.[32] Slechts weinigen bleven. De overige gaven wapenen en paarden af; ontvingen het te goed hebbende geld en het paspoort; hielpen de wapens laden en de paarden koppelen, dit alles deden zij met veel orde, doch tevens met zooveel aandoening, alsof zijn reeds het oogenblik gevoelden, van tegen hunne oude brave kameraden ten strijde te moeten trekken; allen reikten zij de hand; gingen niet eer hunnen weg voor dat zij hen afgemarcheerd zagen; toen hoorde men nog het hartelijk vaarwel, en leve het vierde! Op datzelfde oogenblik gingen de ritmeesters Henkart en Brion, benevens de officier van gezondheid Peeters met eervol ontslag; hun vaarwel was niet minder treffend, dan dat der voorgaanden.”
Er was niet veel meer over van RD4. Van het overschot kon slechts nog een compagnie van 51 paarden gevormd, onder leiding van ritmeester Van Guernicke met de 1e luitenant à Meinsma Bruin en de 2e luitenants baron van Heerdt en van Noord. Deze eenheid bleef te velde. De rest trok onder leiding van luitenant-kolonel van Campen naar Zaltbommel, waarbij ieder manschap bijna zes tot acht paarden aan de hand meevoerde. De tocht duurde drie dagen. Bij de overtocht over de Maas bij Sleeuwijk en Woudrichem met schuiten verdronk helaas het paard van ritmeester Verhoeven. In Zaltbommel werd geïmproviseerd onderdak gezocht. Fundter:
“In Bommel werden de manschappen gemakkelijk onder dak gebragt; met de paarden was dit minder het geval; het zadeltuig, door den regen doorweekt, werd in eene kamer opeen gehoopt; het zelfde gebeurde met de wapens. De vereischte voorzorgen konden vooreerst niet aan die voorwerpen besteed worden. Tot oppassing der paarden, werd een tachtigtal dagloners gehuurd.”
Ook het regimentsdepot werd vanuit Bergen op Zoom naar Zaltbommel verplaatst en kwam ongeveer op dezelfde dag aan. Vrijwel alle Zuid-Nederlandse officieren (die wel eerst mee naar Zaltbommel waren getrokken) werden nu op ‘non-activiteit’ gezet. Ze hadden eigenlijk allemaal naar een aangewezen ‘stad tot verblijf’ moeten gaan om daar hun eervol ontslag af te wachten, maar vrijwel allemaal verlieten ze op eigen gezag Noord-Nederland, nadat ze hun herhaalde verzoeken om spoedig eervol ontslag waren geweigerd. Den Haag wilden namelijk deze ervaren officieren niet snel ter beschikking van de vijand stellen. Alleen 1e luitenant De Marneffe ging naar Harderwijk om wel daar zijn eervol ontslag af te wachten. Verder werd later alleen aan luitenant Frison eervol ontslag verleend, echter pas in 1841! Het gehele regiment was inclusief gewonden) nog slechts 25 officieren en 279 manschappen sterk. Hieronder waren nog 55 Zuid-Nederlanders. Er waren 476 paarden en RD4 was dus verdeeld in een compagnie van 51 paarden te velde en het depot in Zaltbommel.
Het regiment wordt opnieuw opgebouwd
Er werd nu hard gewerkt om er weer een volledig regiment van te maken. Dit was niet eenvoudig in de omgeving van Zaltbommel, waar niet veel handwerklieden waren en bovendien ook schutterijen moesten worden uitgerust. Ook was er niet veel plaats om met paarden te exerceren gezien de vele sloten in de omgeving en geschikte rijbanen waren er niet. Fundter schrijf hierover:
“Het exercitieveld was onbruikbaar, van slechts twee kleine openen rijbanen kon worden gebruik gemaakt, welke trouwens dan ook den geheelen dag bezet waren. Uit eene kleine kerk werd de predikstoel en de vloer uitgebroken, zoodat er 6 man in konden rijden.”
Met vrijwilligers die uit vaderlands liefde en woede over de Belgische opstandelingen toestroomden werd het regiment langzaam weer op sterkte gebracht. Sommige brachten eigen uitrusting en paarden mee. Begin november kon al een tweede compagnie worden geformeerd die vanwege plaatsgebrek met 50 paarden naar Tiel werd gestuurd. Op 16 november werd deze eenheid (met toen al 75 man) en een versterking voor de 1e compagnie van 24 man en paarden te velde gestuurd. Ritmeester Thesingh commandeerde deze 2e compagnie. Hij werd bijgestaan door de 1e luitenant Mollinger en 2e luitenant Brantzen Cunaeus.
Op 2 december escorteerde de 2e luitenant Willich een mobiele colonne tussen de Maas en de Waal. Onderweg deserteerden echter vier Duitse vrijwilligers met hun paarden. Op 16 maart 1831 werd luitenant-kolonel van Campen definitief met het regimentscommando belast en werden bevorderingen uitgereikt. Ook kwamen er van de infanterie, artillerie en logistiek officieren binnen die op basis van voorgaande rang geplaatst werden. Dat leverde afgunst op bij de lagere officieren van RD4 die immers al langer bij het regiment dienden en een promotie aan hun neus voorbij zagen gaan. De officieren brachten overigens de tijd in Zaltbommel zo nuttig mogelijk door. Fundter geeft ons inzicht:
“Onze officieren hadden den tijd in Bommel benuttigd, om zich van eene doelmatige veldtoerusting te voorzien; de fijne enge laarzen en kleederen, die op de voorgaande bivouacquen hunne grootste vijanden waren geweest, werden vervangen; ook was elk bedacht geweest, een lepel te koopen, om zich niet meer als vroeger van eenen algemeenen lepel te bedienen, die, de officieren rondom den kookketel geschaard, van mond tot mond moest gaan.”
Eind maart 1831 konden er al twee complete eskadrons te velde worden gebracht. Op 2 april marcheerde de staf met het 2e eskadron (194 man, waaronder een aanvulling voor het 1e eskadron) naar het gebied ten westen van Eindhoven waar zich de veldeenheid bevond.
Het regiment te velde telde nu 23 officieren en 300 man.
De officieren te velde waren luitenant-kolonel van Campen, majoor Metelerkamp, 1e luitenant-adjudant J.C. Fundter, kornet Klamberg, 2e luitenant-kwartiermeester van der Meer, paardenarts 1e klasse Ludwig, paardenarts 2e klasse van der Pol, de ritmeesters Guericke, baron Snouckart van Schouburg, Verhoeven en Mollinger, de 1eluitenants Klamberg, baron van Heerdt, Happé en van Noord. Verder de 2e luitenants Brantzen Cunaeus, Jhr Bosch van Drakenstein, Kicherer, Willich enG.H.J. Fundter. RD4 kwam opnieuw onder bevel van de 1e Lichte Cavalerie Brigade onder bevel van generaal-majoor Jhr. J.W. Boreel.
Deze brigade bestond nu uit twee eskadrons van RD4, twee eskadrons van RD5, drie eskadrons van RH6 en een halve batterij rijdende artillerie onder kapitein Bentinck.
Er werd wederom veel geoefend. Op 25 juli werd er een demonstratie oefening gehouden voor de Koning en de beide prinsen op de Woenselerheide bij Eindhoven, waaraan de 1e Lichte Cavalerie Brigade en de 3e Infanteriedivisie deelnamen. Op 31 juli lag het regiment in kantonnementen in e omgeving van Hoogloon en was één compagnie aangewezen om de voorposten te bemannen.

Internationale ontwikkelingen
Na het verjagen van het Nederlandse leger uit Brussel en omstreken had België ondertussen op 1 oktober 1830 de onafhankelijkheid uitgeroepen. In januari waren de geallieerden (uit de Napoleontijd) en Frankrijk bijeengekomen in Londen. De Belgische onafhankelijkheid werd geaccepteerd en de grenzen werden vastgesteld op basis van de grenzen uit 1795. Het Belgische en Nederlandse leger hadden zich sindsdien teruggetrokken achter deze grenzen. Het Nederlandse leger hield echter altijd nog vast aan drie belangrijke citadellen op Zuid Nederlands grondgebied, namelijk Antwerpen, Luxemburg en Maastricht. Vooral de citadel Antwerpen stond onder druk. Toen op 5 februari 1831 Belgische opstandelingen een wachtschip in de haven dreigden te vermeesteren, blies luitenant-ter-zee van Speijk zijn schip de lucht in door een brandende sigaar in het kruitvat te steken. Tientallen Nederlandse opvarenden en Belgische opstandelingen vonden de dood, maar van Speijk was in één klap een Noord-Nederlandse zeeheld.
Het Groot Hertogdom Luxemburg (door vererving persoonlijk bezit van Koning Willem I) bleef twistpunt, net zoals Limburg. Koning Willem I was bovendien niet betrokken geweest bij het overleg in Londen en weigerde zich erbij neer te leggen. Hij zinspeelde op militair ingrijpen om door een overwinning op de Belgen tenminste gunstiger afscheidingsvoorwaarden te kunnen bedingen. Zowel aan Nederlandse zijde als Belgische zijde maakte men zich daarom klaar voor een militaire confrontatie. Het Belgische leger had ook te lijden onder de deling en bestond slechts uit een sterkte van 30.000 man, die grotendeels ongeoefend waren. Er werd een Schelde leger in de buurt van Antwerpen opgesteld en een Maasleger in de buurt van Luik. Het Nederlandse leger was behoorlijk groter met een statisch gedeelte van 50.000 man en een mobiel veldleger van 36.000 man. Het statische gedeelte bestond uit vrijwillige milities en richtte zich op de territoriale verdediging. Het mobiele veldleger bestond uit drie divisies (elk twee brigades en een batterij veldartillerie) en een divisie cavalerie (met twee brigades, elk met een halve batterij Rijdende Artillerie). Er was een zware cavaleriebrigade en een lichte cavaleriebrigade. De zware cavaleriebrigade (drie afdelingen kurassiers met elke twee eskadrons en het Regiment Lansiers no 10 met vier eskadrons) stond onder leiding van generaal-majoor Post en was ontplooid tussen Breda en Oosterhout. De lichte cavaleriebrigade werd gecommandeerd door generaal-majoor Jhr. W.F. Boreel en telde drie regimenten, namelijk het 4e en 5e regiment lichte dragonders (ieder twee eskadrons) en het 6e regiment Huzaren met drie eskadrons. De lichte brigade lag in de omgeving van Eindhoven en Valkenswaard. Verder was er nog een vierde reserve divisie, bestaande uit twee brigades (met elk zes bataljons schutterij), twee bataljons infanterie, een eskadron kurassiers en een batterij veldartillerie.
De Belgen maakten zich geen grote zorgen over de naderende confrontatie en vertrouwden op het ingrijpen van de geallieerden. Het Nederlandse leger had intussen plannen gemaakt voor de aanval. De bedoeling was om een wig te drijven tussen de beide Belgische legers door een snelle opmars naar Diest, een plaats halverwege tussen Antwerpen en Luik. De reserve divisie zou vervolgens naar het oosten afbuigen in de richting van Maastricht om het Maasleger te binden. Vanuit Breda en Zeeuws Vlaanderen zou een schijnaanval op Antwerpen worden gedaan om het Scheldeleger verder naar het westen te lokken om zo het gat tussen de twee Belgische legers te vergroten. Via het Maasdal zouden ook nog troepen naar Maastricht worden gestuurd om vanuit Maastricht ook het Maasleger te kunnen binden. Nadat eerst het Maasleger was verslagen zou vervolgens worden afgerekend met het Belgische Scheldeleger.
De Tiendaagse Veldtocht
Op 1 augustus werd door middel van een dagorder bekend gemaakt dat de Kroonprins het opperbevel over het leger op zich had genomen. Hij werd bijgestaan door zijn militair meer ervaren broer, prins Frederik. De beide deelnemende initieel divisies stonden onder leiding van de luitenants-generaal Van Geen en Meijer. Op 2 augustus gaf Koning Willem I het bevel om de grens te passeren. De directe aanleiding was het uitroepen van Leopold van Saksen Coburg tot ‘Koning der Belgen.’ Onder leiding van kroonprins Willem van Oranje, bijgestaan door Prins Frederik der Nederlanden (als meer ervaren militaire adviseur) werd de aanval ingezet. Men rukte op over een zo breed mogelijk front om de tegenstander te misleiden over het uiteindelijke aanvalsdoel. De schijnaanval op Antwerpen had succes en het Belgische Scheldeleger verplaatste naar Antwerpen.
Op 3 augustus trok de 1e Lichte Cavalerie Brigade de grens bij Postel over en bereikte via Arendonck het plaatsje Mol waar werd gebivakkeerd. Fundter:
“Op dit bivouac werd de dragonder Scholten, bij toeval, door een karabijnkogel in de dij gewond.”
Heugelijker was het feit dat op die dag bekend werd gemaakt dat op 29 augustus de Koning MWO’s aan regimentsleden had toegekend voor hun optreden (of verwondingen) bij de gevechten in en rond Brussel. Luitenant-kolonel van Campen was benoemd tot Ridders in de Orde van de Nederlandsche Leeuw. De MWO 4e klasse was toegekend aan ritmeester baron van Uttenhoven van Bottenstein, 1e luitenants J.C Fundter en baron van Heerdt, aan de 2e luitenant Willich en aan de wachtmeesters Schönecker en Vonck. Ook korporaal Heijthuizen werd gedecoreerd met een MWO 4e klasse.
Op 5 augustus bereikte de 3e Divisie Beeringen. RD4 werd ingezet. De (juist met MWO 4e klasse gedecoreerde) eerste luitenant-adjudant J.C. Fundter schrijft over deze actie:
“Een peloton des regiments ging met een bataillon der 13e afdeeling (=infanterie) en een peloton Leidsch studenten een paar uren vroeger weg, om gemeld stadje, dat eene bezetting had, van eene andere zijde te naderen. Het werd genoegzaam overvallen; wel deden de schildwachten eenige schoten, doch de geweren stonden in rotten op de markt, en de troep was weggeloopen.”
RD4 zette de opmars tot Paal voort en maakte gevangenen. Helaas ontstond er in die nacht in Beeringen een felle brand, waardoor alarm werd geslagen en stellingen werden betrokken buiten de stad. Fundter geeft de oorzaak:
“De brand werd veroorzaakt door den dragonder Hendriks, der aldaar onder den ritmeester Mollinger achtergelatene kompagnie, die, om zijn zadeltuig in orde te brengen, eene lamp in den stal had waardoor het stroo vuur vatte…”
Gevechten bij Kermpt en Hasselt
De Belgen hadden intussen door wat er stond te gebeuren en probeerden hun strijdkrachten te concentreren. Het Maasleger werd naar Diest gestuurd. Het marcheerde via de noordkant van Hasselt naar Diest. Het Scheldeleger kreeg ook opdracht naar Diest te marcheren. Op 7 augustus gingen de eskadrons van RD4 en van RD5 via Lummen naar Kermpt. Een tirailleur peloton van RD4 onder leiding van 1e luitenant Happé leverde beveiliging voor de Kroonprins die als opperbevelhebber ook naar Kermpt wilde gaan. RH6 ging verkennend richting Kuringen met het afgestegen tirailleurpeloton voorop. De rest van RH6 stond in pelotonscolonnes op de weg tussen net noord van Kermt richting het dorp Herkenrode. Het zijterrein bood geen mogelijkheden tot ontplooien. De voorhoede van het Belgische Maasleger was echter gearriveerd en drong voorwaarts. Vijandelijke afdelingen kwamen uit een gedekte stelling vanuit het meer oostelijke bos van Erkenrode naar voren. RD5 probeerde met haar twee eskadrons vanuit Herkenrode de vijand tegen te houden, terwijl RH6 dit meer vanuit Kermt deed. De sectie Rijdende Artillerie, onder leiding van 1e luitenant Wicherlink opende hierbij het vuur op de vijandelijke eenheden, maar de overmacht was te groot. RH6 viel meer en mee terug.
Terwijl infanterie eenheden werden aangetrokken om een front richting de oprukkende Belgen te vormen (o.a. een bataljon van 13e Infanterie Regiment en een bataljon Friessche Plattelands-Schutterij) kreeg RD4 opdracht om naar het dorp (en abdij) Herkenrode te gaan, noordoost van Kermpt en dan te proberen om zuid van RD5 (en RH6) stelling te betrekken. Fundter:
“het plaatste zich met de Groningsche jagers en de halve batterij tussen genoemd dorp en Stevoort (= ten zuidoosten van Kermpt). Op eenmaal liet het geweer- en kanonvuur zich hooren; patrouilles gingen in alle rigtingen, en de last om terug te trekken werd tegen den avond ontvangen.”
Het zwaartepunt van de Belgische aanval lag meer in het midden bij RH6 en in het noorden bij de abdij van Herkenrode, waar infanterie en RD5 in stelling stonden. RD4 meer naar het zuiden, had dus minder vijand contact.
In de avond trokken de Nederlandse eenheden zich terug ten westen van Kermpt en werd de 1e Lichte Cavalerie Brigade weer samengetrokken bij Herk la Ville (Herk). De gevechten waren hevig geweest en aan beide zijden waren de verliezen aanzienlijk. Bij het vallen van de avond trok de 3e Divisie zich enige kilometers terug op Beringen. De vijand was gedurende het 7-uur durende gevecht tot in Kermpt doorgedrongen, maar had het weer moeten ontruimen. De 1e luitenant Happé had met zijn peloton van RD4 die de Kroonprins en opperbevelhebber moest beveiligen een opwindende dag gehad:
“De 1e luitenant Happé, het regiment te Kermpt meenende te vinden, had aldaar den vijand op den grooten weg tweemaal aangevallen, waarbij de dragonder Van Zweveren zwaar gewond en een paard gedood werden. De korporaal Derkx van het detachement stortte bij den eersten aanval met het paard; ontkwam met hetzelve aan de hand; ontdeed het van het gebroken zadeltuig, en volbragt den tweede aanval op het bloote paard met moed.
Het Nederlandse leger ontwikkelde nu plannen om het Maasleger bij Hasselt te omvatten. Het Belgische Maasleger zag op haar beurt echter de doortocht naar Diest versperd en besloot terug te vallen op Hasselt om vervolgens te proberen via een zuidelijke omtrekking via Tongeren naar Diest op te marcheren. Deze manoeuvre werd te laat begonnen en toen het Belgische leger in de middag van 8 augustus door Hasselt trok, naderde juist het Nederlandse leger, met voorop de lichte cavaleriebrigade van generaal-majoor Boreel. RD4 ging voorop. Luitenant Fundter schrijft hierover:
“Den 8. maakte het regiment de voorhoede uit, en de divisie trok door Kermpt en verder op richting Luiks-Hasselt. In de eerste plaats halt gemaakt hebbende, werd gelast, dat een peloton van het regiment met eene sectie rijdende artillerie, in snellen gang, op eene hoogte bij Curingen moest post vatten, en voor geenen vijand mogt terugtrekken. Aan den 1ste luitenant W. Klamberg, werd die last opgedragen.”
Generaal-majoor Boreel doorzag een omtrekkende beweging van de Belgen en liet zijn brigade snel door Hasselt oprukken gade geslagen door de in de omgeving staande Prins van Oranje en Prins Frederik met hun staf. Dit ging niet geheel zonder gevechten. Fundter vertelt:
“Nabij Luiks-Hasselt komende, trok een detachement Belgische lansiers der achterhoede om de stad terug en stelde zich vervolgens in front op. De 1eluitenant Van Noord van het regiment, die met zijn peloton de voorhoede uitmaakte, werd gelast dien troep aan te tasten, welke aanval in bijzijn van den kolonel Nepveu van den generalen staf, zoo krachtig geschiedde, dat de handgemeenschap van korten duur was, een veertigtal gevangen werd gemaakt en de overige vijanden verstrooid werden. Z.K.H. de prins Frederik betuigde een oogenblik na het gebeurde deszelfs hooge tevredenheid over dien aanval, en dit in het bijzonder aan den wachtmeester Vonck, voor zijn daarbij gehouden gedrag.”
RD4 trok als eerste eenheid de stad Hasselt binnen. Ritmeester Mollinger was bekend in de stad en ging in opdracht van generaal-majoor Boreel, voorop. Fundter vertelt over het binnentrekken van de stad Hasselt:
“Het 4de en 5de Ligte Dragonders met de halve batterij, rukte in draf de stad in. Op de markt en in de rigting der Tongersche straat gekomen, vielen eenige schoten, en kwamen de trompetters, die een te snellen gang gegaan waren, terugrijden, voor en achter zich eenige Belgische lansiers hebbende. De chef van het regiment commandeerde dadelijk den aanval, die dan ook spoedig een einde aan de zaak maakte, waarna de kolonne weder in draf vooruitging.
Deze 12 Belgische lansiers behoorden tot de eenheid die eerder door luitenant van Noord was uiteengejaagd.
RH6 verkende in de middag richting Bilzen en de beide dragonderregimenten (RD4 en RD5) richting Tongeren. RH6 trok intussen verder in oostelijke richting door de stad en wierp zich via de ‘Tongerse Poort’ met succes op de achterhoede van de vijand. Het stadsbestuur van Hasselt bood intussen de Prins van Oranje de sleutels van de stad op een zilveren schotel aan. RD4 had vijandelijke bagagewapens en vijf stukken geschut buitgemaakt. De trompetter Muchij was in Hasselt gewond geraakt. De 1e Lichte Cavalerie Brigade trok vervolgens op Kuringen terug en hield daar een rustdag. Op 10 augustus werd te Dormael (vlakbij Tienen) gebivakkeerd.
Leuven wordt omtrokken
Na de nederlaag van het Maasleger lieten de Belgen hun Scheldeleger niet langer oprukken naar Diest, maar gaven het opdracht om bij Leuven in positie te komen om Brussel te beschermen. Ook werd de Fransen om hulp gevraagd. Dit had succes, want op 10 augustus rukten drie Franse colonnes België binnen. De oostelijk colonne marcheerde in de richting van Namen en Luik. De westelijke colonne ging naar Antwerpen en de centrale colonne naar Brussel. Het Nederlandse leger had zich ook gehergroepeerd en de 2e Divisie, onder leiding van generaal-majoor hertog van Saxen-Weimar ten noorden van Leuven gepositioneerd. Het plan was om de stad te omvatten via de westelijke flank, waartoe de 1e Lichte Cavalerie Brigade van generaal-majoor Boreel onder bevel van de 2e Divisie werd gesteld. De opdracht was om de weg naar Brussel te blokkeren. De rest van het mobiele Veldleger (1e en 3e Divisie) zou over Tienen naar Leuven oprukken. Koning Willem I had hierbij opdracht gegeven dat onder geen bedding Nederlandse troepen in gevechtscontact mochten komen met de naderende Franse troepen. Snelheid was dus geboden.
Om de Nederlandse opmars richting Leuven te stuiten, gaf de nieuwe Belgische Koning Leopold I zijn troepen op 11 augustus 1831 opdracht om op te trekken richting Tienen. Leopold I voerde zelf zijn troepen aan en bivakkeerde aan de westrand van Boutersem, op de grens met het huidige Bierbeek. In de late namiddag werd de Nederlandse voorhoede teruggedreven tot Kumtich, maar Leuven werd zuidwaarts door de Nederlandse 2e Divisie omtrokken, waaronder dus de Lichte Cavalerie Brigade van Boreel. Ze bereikten op deze dag Bossut.
Op 12 augustus 1831 viel kroonprins Willem Leuven vanuit het oosten aan. De troepenopmars werd vertraagd toen een kanonskogel het paard van de kroonprins trof. Al eerder deze dag om 2 uur ’s nachts was de 1e Lichte Cavalerie Brigade doorgetrokken via Neerijsche om daarna bij Leefdael de grote straatweg van Leuven naar Tervuren te passeren. Via de grote weg van Leuven naar Brussel trokken de beide dragonderregimenten naar Cortemberg en betrokken hier stelling. De weg naar Brussel was dus geblokkeerd door de 2e Divisie en de opdracht uitgevoerd. RD4 kreeg niet veel rust bij Cortemberg. Fundter:
“Met het verkennen der omstreken en het uitzenden van patrouilles bezig zijnde, kwam de ordonnans-officier Thuret der brigade, den last overbrengende, dat beide regimenten in de stelling op den IJzerenberg, welke inmiddels door de 2de divisie infanterie en het regiment hussaren bezet was, benoodigd waren; de weg werd bijgevolg in draf afgelegd, en op de bestemde plaats aangekomen zijnde, was alles rustig. De brigade stelde zich in drie liniën en steeg af.”
Intussen was op de andere strategische plek, de Roeselberg bij Herent op 12 augustus zwaar gevochten. De Nederlanders behielden hier de overhand en de Belgen leden zware verliezen. Koning Leopold beval de strategische terugtocht en kon zelf op 12 augustus via de Mechelsesteenweg met zijn generaals richting Mechelen tijdig kunnen terugtrekken.
Geallieerde interventie en wapenstilstand
Het Frans interventie leger onder leiding van generaal Gérard, was echter genaderd en marcheerde op in Noordelijke richting. Het leger was Brussel al gepasseerd. Aan het einde van 12 augustus naderde bovendien een Engelse gezant met een witte vlag de Nederlandse troepen. Dit was de Engelse gezant te Brussel, Lord William Russell die namens de Britse en Franse regering verklaarde dat Engeland en Frankrijk ten gunste van België tussenbeide waren gekomen. Ook een Franse ambassadeur (Belliard) meldde zich bij de Hertog van Saksen Weimar met dezelfde mededeling. Koning Willem I accepteerde de interventie, maar eiste wel om de Nederlandse eer te redden en als bewijs van de Belgische nederlaag, de overgave van de stad Leuven. De Belgische troepen kregen vrije aftocht uit Leuven. Fundter:
“Om den toegestanen vrije aftogt uit Leuven, door de Belgische troepen, gade te slaan, zond ’s namiddags ieder regiment der brigade een eskadron, benevens tirailleurs naar den Mechelsen weg; het overige de brigade nam rust, en zond officieren met manschappen af, om te fourageren.”
Ondanks de afgesproken wapenstilstand ontstond er toch een vuurgevecht door toedoen van Belgische eenheden. Kennelijk was niet iedereen op de hoogte van de gemaakte afspraken. Luitenant Fundter vertelt hierover:
“tegen omstreeks vier uren in den middag, dat de uitgezonden eskadrons en de fourageurs nog afwezig waren, en de overigen lagen te slapen, opende het vrijkorps van Niellon[33], dat zich sluipende langs den stadsmuur begeven had, op het onverwachts een tirailleur-vuur tegen de brigade. Onze manschappen waren weldra te paard. De rijdende artillerie stelde zich in batterij, en rigtte haar vuur tegen de op den Mechelsen weg aftrekkende troepen, wier marsch eerst zonder de minste orde geschiedende, als nu in eene wilde vlught ontaardde. Eene kompagnie der 18de afdeeling infanterie, benevens de koninklijke jagers, trokken den goed geplaatsten vijand tegen. De luitenant-kolonel baron Van Gagern van den generalen staf, bragt den regiments-chef last, om den vijand aan te vallen; deze stelde zich aan het hoofd der drie nog overig zijnde pelotons van den ritmeester baron Snouckart van Schouburg, en deed in galop voorwaarts gaan; weldra stootte de troep op den rand eens hollen wegs en kon niet verder; doch loodregt op den regtervleugel bevond zich een smallen landweg, welke naar de plaats des vijands leidde; hier werd afgebroken en een aanval en-fourageur[34] uitgevoerd, welke zoo volkomen gelukte, dat de vijand geheel verdreven en een veertigtal gevangen genomen werd. Vervolgens liet de kolonel de verzameling blazen, en stelde den troep in de nabijheid der batterij. Middelerwijl deze aanval voorviel, had een Belgische halve batterij opgesteld, die het vuur der onze beantwoordde, doch waarvan wij niets te lijden hebben gehad. De kapitein van den stad de Normandie St. Jacob, bragt last, om het vuren te staken, waarop weder alles naar de plaats trok, een oogenblik te voren verlaten.”
Bij deze charge raakten twee paarden gewond. Aan Belgische zijde vielen door het kartetsvuur van de batterij rijdende artillerie vele doden en gewonden. De korporaal Pruissen die aan het foerageren was, was door de Belgen krijgsgevangen gemaakt.
Om de eer te redden mochten enige Nederlandse troepen in triomf door de stad Leuven trekken, waarna ze naar Nederland terug zouden gaan. Ook RD4 nam aan deze triomftocht deel om daarna via Meldert (13 aug) naar Hoegaarde te gaan (14 augustus). Fundter:
“Tegen 6 uren in den namiddag, liet de 1e luitenant Klamberg, die de veldwacht had, melden dat het 5de Fransche hussaren-regiment bij hem was aangekomen om Hougarde te betrekken.”
Volgens afspraak zouden de Franse eenheden overal de Nederlandse eenheden in de eerder veroverde plaatsen vervangen. Het regiment vertrok daarna naar Dormeal, waar overigens de in Hasselt gewond geraakte trompetter Muchij, als vermist werd gemeld. RD4 trok zich in de hierop volgende dagen verder terug en bereikte via Sepperen (15 aug), Coursel (16 aug), Weijer (17 aug) en Haumont (18 aug) op 10 augustus kantonnementen in de omgeving van Geldrop. Hier werd contact gemaakt met het op 8 augustus uit Zaltbommel vertrokken 3e eskadron onder leiding van majoor Rambonnet. De andere officieren van dit 3e eskadron waren de ritmeesters Thesingh, baron van Uttenhoven van Bottenstein, de 1e luitenants Heuvingh en Timmersmans en de 2e luitenants van Ingen en baron van Ittersum. Dit 3e eskadron had order gehad om zich via Den Bosch, Oirschot en Valkenswaard onder bevel te stellen van de reservedivisie van de luitenant-generaal Cort-Heijligers bij Houthalen. Toen de eenheid echter Valkenswaard bereikte werd bevel ontvangen om naar Eindhoven te gaan om deze plaats te beveiligen tegen een aanval van het Belgische vrijkorps van kolonel van den Broek[35]. Deze had getracht gebruikmakend van de Nederlandse aanval richting zuid om vanuit Weert Eindhoven aan te vallen. Heeze en Leende had hij al veroverd en hij was tot op vier uur gaans genaderd. Toen hij melding kreeg dat Eindhoven versterkt werd trok hij terug. Een dragonder peloton onder 1eluitenant Timmermans werd achter hem aan gestuurd, maar kon geen vijand meer vinden. Wel haalden ze een Belgische vlag van de kerktoren van Leende. In Heeze had burgemeester Deelen eerder, onder bedreiging van zijn leven, geweigerd de Belgische vlag te hijsen op de kerktoren.[36]
Weer terug in Brabant
Het bij Hasselt veroverde geschut werd door de oudste luitenants van de veld-eskadrons onder begeleiding van een peloton dragonders naar Den Haag gebracht. Ook de ritmeesters Van Guericke en Mollinger en de 2e luitenant-kwartiermeester van der Meer, sloten zich hierbij aan.
Op 29 augustus 1831 werd in Eindhoven een wapenschouw gehouden waar de Koning tegenover de regimentscommandant zijn waardering voor RD4 te kennen gaf. Er werden later voor het optreden tijdens de Tiendaagse Veldtocht decoraties uitgereikt, namelijk MWO 3e klasse aan luitenant-kolonel van Campen, MWO 4e klasse aan majoor Metelerkamp, 2e luitenant-kwartiermeester van de Meer, de ritmeesters baron Snouckart van Schouburg en Mollinger. De 2 luitenants Klamberg, Happé en van Noord, de adjudant-onderofficier te Boekhorst, de wachtmeesters Rentema en Heijl, de korporaals Streijens en Kuipers, de trompetter Passier, de vrijwilliger jhr Barchman Wuijtiers en de dragonder Weeders. De ritmeester Van Guernicke die eerder al een MWO had ontvangen werd nu ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw. Verder werden nog een aanzienlijk aantal regimentsleden eervol vermeld in de legerorder van 22 oktober 1831 en werden de beide wachtmeesters Metelerkamp en F.L. Fundter tot 2e luitenant bevorderd.
Op 17 november 1831 kwam vanuit het depot een vierde eskadron te velde onder leiding van ritmeester baron Thoe Schartsenberg en Hohenlandsberg. Hij werd bijgestaan door de 1e luitenant-adjudant Stavenisse de Brauw, 1e luitenants Thesingh en Brantzen Cunaues en de 2e luitenants de Meij en van Cattemburg. Het regiment bleef nu te velde en was bijna voltallig. Veel miliciens gingen zelfs over in beroepsdienst. Andere werden naar huis gestuurd. Alleen sterke boeren jongens die als milicien dienden en met paarden konden omgaan werden behouden als caisson- en smidswagenrijders. Op 13 juni 1832 werden Metalen Kruizen 1830-1831 uitgereikt, gemaakte van de bij Hasselt veroverde kanonnen[37]. Het werd ingesteld door Koning Willem I bij Koninklijk Besluit no. 70 van 12 september 1831 en uitgereikt aan allen die in het leger of de Koninklijke Marine aan de krijgsverrichtingen in de jaren 1830 en 1831 hadden deelgenomen. RD4 kreeg 568 kruizen, waarvan 61 voor vrijwilligers.
Toen in 1839 een oorlog met België opnieuw dreigde maakte RD4 zich te Bladel, Hapert en Eersel gereed voor hervatting van de strijd. Deze spanning had te maken met het feit dat veel Belgen kwaad waren dat na tekening van het scheidingsvoorstel door Koning Willem I in dat jaar, Oost-Limburg (en oostelijk deel van Luxemburg) bij Nederland werd gevoegd. Ook veel Limburgers wensten dit niet. Ook in 1832 had het regiment gereed gestaan, tijdens de belegering van de citadel van Antwerpen. Verder had op 1 mei 1832 nog een grote troepenschouw plaatsgevonden op de Kempsche Heide waarbij twaalf bataljons infanterie, zes regimenten cavalerie en tien batterijen aan Z.K.H. de Kroonprins (intussen tot veldmaarschalk bevorderd) de oudste zoon van de Russische Tsaar voorbij trokken. Als één van de laatste eenheden keerde RD4 uit de kantonnementen in Brabant op 1 februari 1940. terug naar de vredesgarnizoensplaats in Zaltbommel. Het 1e en 2e eskadron werden in Den Bosch gelegerd.
Intussen had op 22 oktober 1836 luitenant-kolonel van Campen het regiment verlaten en werd in kolonelsrang benoemd tot commandant van de Koninklijke Rijschool in Den Haag. De officieren van het regiment eerden hem met een mooi opgemaakt setje medailles wat hij eerder had verdiend. De nieuwe regimentscommandant werd luitenant-kolonel Buno. Op 29 januari 1840 werd hij op zijn beurt vervangen door luitenant L. Mascheck en die weer op 27 december 1842 door luitenant-kolonel E.F. von Wiebeking.


Omnummering en einde van Regiment (Ligte) Dragonders No.4

Vanwege zware bezuinigingen werd het leger ingekrompen. Als eerste verviel op 1 november 1839 de depots bij de cavalerieregimenten en werden de compagnieën weer gereduceerd naar 99 man en 77 paarden. Op 10 maart 1841 volgde een zwaardere reductie en werden de compagnieën opgeheven en alleen eskadrons gevormd, die ieder 6 officieren en 191 man mochten tellen (waaronder 50 miliciens). Het paarden aantal per eskadron kwam op 141 paarden. De naam van het regiment werd ook veranderd. Namelijk van Regiment Dragonders No. 4 (RD4) in 4e Regiment Dragonders (4RD). Op 15 augustus 1841 werd er in de omgeving van Rijen nog geoefend door 4RD en 5RD met het 2e Regiment Lansiers (oude RH6, het huidige Regiment Huzaren van Boreel) en twee batterijen rijdende artillerie onder generaal-majoor Dumonceau. De oefening duurde een maand. Gedurende deze maand was 4RD gekantonneerd in Dongen en ’s Gravenmoer.
Omdat Limburg en Luxemburg nog altijd tot de Duitse bond behoorden, moest er door deze gebieden een contingent geleverd kunnen worden. 4RD kreeg op 30 juni 1842 formeel opdracht in voorkomend geval hiertoe het 4e eskadron van het regiment te leveren. De te leveren sterkte hiervan werd op 6 officieren en 225 man bepaald en 141 paarden. Er werd verder bezuinigd op garnizoensplaatsen. In 1842 verliet het 4RD daarom Zaltbommel. De regimentsstaf voegde zich bij het 1e en 2e eskadron te Den Bosch. Het 3e eskadron en 4e eskadron (bondscontingent dus) gingen naar Tilburg.
Op 15 oktober kreeg 4RD te horen dat ze per 1 november opgeheven zou worden. De eskadrons werden verdeeld over de andere drie dragonder regimenten. Nu kwam ook het verschil tussen lichte en zware dragonder regimenten te vervallen. Het 1e eskadron ging naar 1RD, het 2e eskadron naar 2RD, het 3e eskadron naar 3RD.[38] Het 4e eskadron bleef zelfstandig in verband met de bondscontingent opdracht. Op 10 september 1849 werden alle bondcontingent eskadrons uit de regimentsverbanden losgemaakt en vormden een nieuw Regiment Jagers te Paard.
Verschillende officieren van het oude 4RD kwamen (al dan niet tijdelijk) bij RH6, RL1 of RL10 terecht, allen voorgangers van het huidige regiment Huzaren van Boreel. Dit waren 1e luitenant van de Meer (RL10), kapitein van Roon (RL1), majoor baron Snouckart van Schouburg (RL10), majoor Verhoeven (RH6), majoor baron van Heerdt (RH6), majoor Buma (RH6), ritmeester J.C. Fundter (RL1) , 1e luitenant de Bellefroid (RL10), majoor van Guericke (RH6), 2e luitenant Bouman (RL10), 2e luitenant Bouman (RL10), 2e luitenant baron van Heeckeren (RL10) en 2e luitenant Ramdohr (RL1).
De schrijver van de regimentsgeschiedenis eerste luitenant J.C. Fundter schrijft als afscheidsgroet:
“Het 4e regiment dragonders heeft dan opgehouden langer een deel van het leger uit te maken. In deszelfs dertigjarigen dienst, heeft het bewijzen van eene goede krijgstucht en waren soldatenzin gegeven. Het was trouw en dapper. Wie weet welke heldendaden nog daaruit waren voortgekomen ware het niet bestemd geworden, het lot van het 1e kurassiers en van het 9de en 10de afdeeling infanterie, allen met roem vermeld, te volgend, en den moed daartoe aan het oude 6de hussaren te toonen. In Holland opgerigt, later bijna Belgisch geworden zijnde, is het evenwel Hollandsch gebleven; langzamerhand daartoe overgaande, namen de nieuwe de zindelijkheid en werkzaamheid, den Hollander zoo eigen, en vooral de zorgen voor paarden, van hen aan. Het regiment was steeds compleet, omdat de jongeling zag, dat men daarbij vooruit kon koomen; een en tachtig zijn er officier geworden, en nog twee en dertig hebben er zich bekwaam gemaakt, om, bij andere regimenten overgaande, dien rang te verkrijgen. Voor het kader werd altijd veel zorg gedragen; ook heeft het aan de verwachting die men er van had, luisterrijk beantwoord; met kracht heeft het medegewerkt om den goeden naam van het korps te handhaven; het heeft den minderen in den wankelden tijd tot zijn pligt aangehouden; vele van hen zijn beloond geworden. Ieder, die bij het regiment gediend heeft, zal met genoegen de kameraadschap herdenken, welke er bij heerste…..”
Op 10 september zou een nieuw 4e Regiment Dragonders (4RD) ontstaan. Deze werd echter niet gevormd door oude dragonder eenheden, maar door de restanten van het 2e Regiment Lansiers (voorheen Regiment Hussaren No. 6) en 1e Regiment Lansiers (voorheen Regiment Lansier No. 10) samen te voegen. Deze samenvoeging was noodzakelijk omdat ze twee eskadrons hadden moeten inleveren die samen met het oorspronkelijke 4e eskadron van RD4 het bondscontingent vormden en nu het Korps Jagers te Paard werden. De standplaats van het nieuwe 4RD werd Deventer. De voormalige dreiging vanuit België, maakte plaats voor dreiging vanuit Pruisen en (later) het verenigde Duitsland.
[1] Belangrijkste Bron: J.C. Fundter, Geschiedenis van het 4e Regiment Dragonders, 1853. Dit boekje is ook als pdf in de oorspronkelijk vorm op internet te vinden
[2] Hij had in het Franse leger gediend en was recent uit Russische krijgsgevangenschap teruggekeerd.
[3] Hij was zelfs majoor titulair
[4] Deze verkeerde bij de oprichting nog in Russische krijgsgevangenschap, maar werd wel al benoemd binnen RD2. In 1815 had de 27-jarige Kraijenhoff er al een lange militaire loopbaan opzitten. Op de leeftijd van 11 jaar was hij in Hollandse dienst getreden als kadetkanonnier. Tijdens de napoleontische campagnes vocht hij zowel tegen als voor Napoleon. Aan geallieerde zijde trok hij eerst in Pruisen en Spanje ten strijde. Bij de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk moest Kraijenhoff echter het Franse leger dienen. Zo maakte hij in 1812 de barre veldtocht in Rusland mee totdat hij krijgsgevangen werd genomen. Twee jaren bracht hij in gevangenschap door. Hij overleed op 21 juni 1865
[5] In een uitgebreide studie van dit beleg (Marc Geerdink-Schaftenaar) staat de eenheid genoemd als: Voormalige Garde Soldée (50 man), ritmeester Von Staedel. Aan de belegering namen nog meer dragonders deel namelijk een detachement van het 1e Regiment Dragonders onder leiding van majoor Bisdom. Deze dragondereenheid kwam uit Den Haag.
[6] Behorende dus tot het 2e eskadron. Elk eskadron had twee compagnieën en elke compagnie had over haar beurt weer twee pelotons van elk ongeveer 34 ruiters. Een compagnie in totaal had in de regel rond de 70 paarden.
[7] De restanten van dit zuidelijke 8e Regiment Huzaren zou na de afsplitsing van België bij het 6e Regiment Huzaren worden gevoegd, het huidige Regiment Huzaren van Boreel. RH8 stond destijds onder leiding van luitenant-kolonel J.L. Baron Duvivier.
[8] RH8 was een Zuid-Nederlands regiment.
[9] Het Franse 12e Regiment Cuirassiers bestond ondermeer uit restanten van het vroegere 14e Regiment Cuirassiers, wat een regiment was geweest onder leiding van generaal Trip.
[10] Vanuit een oorspronkelijke sterkte van 400 ruiters.
[11] De vermiste officier was de gedeserteerde regimentsarts Werner. Met medeneming van een regimentspaard.
[12] De twee gevangen officieren waren de 1e luitenant-kwartiermaker H.W. van Uchelen en 2e luitenant H. Haak
[13] Voor de lijst met gewonde dragonders zie J.G. Fundter, Geschiedenis van het 4e Regiment Dragonders, 1853.
[14] Gelegen aan de Maas tussen Roermond en Venlo
[15] Dit was een regionaal militair kommando die Limburg, Zuid-Brabant en Luik omvatte
[16] Eerder deed hij dit te Brussel aan RH6 op 3 oktober 1820
[17] Destijds als Raevels geschreven.
[18] De Eerens was van 1826 belast met de algemene inspectie van het vierde groot militair commando. Gedurende de maanden september en oktober van 1827 voerde hij het bevel over de in het kamp bij Ravels verzamelde Nederlandse legermacht. Op 4 juli 1829 kreeg hij een aanstelling tot commandant van de derde divisie infanterie. Op 5 september 1834 werd De Eerens benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Hij overleed in functie te Java op 30 mei 1840.
[19] Louis Adolf Jaques Crooij diende eerder als majoor van 19 juli 1816 tot 6 maart 1819 bij Regiment Hussaren No.6, het latere Regiment Huzaren van Boreel
[20] Dit werd destijds ‘met paspoort gaan’ genoemd.
[21] ‘Korps Guiden’ genoemd.
[22] Dat de bezoekers van de opera zich op die dag zo opstandig gedroegen, had alles te maken met de onrusten die in Parijs waren ontstaan, de afzetting van koning Karel X en de aard van de opera zelf. Door de afzetting van de Franse koning begrepen de Brusselse opstandelingen dat het misschien ook wel mogelijk moest zijn Willem I van de troon te stoten. De opera verhaalde over de vrijheidsstrijd van de Napolitanen tegen de Spaanse overheersers aan het begin van de achttiende eeuw.
[23] Hier werd onder andere de regeringsgezinde krant Le National uitgegeven.
[24] De auteur van de geschiedenisschrijvings document van RD4
[25] Het werd luitenant-kolonel Crooij (van Belgische afkomst) later verweten dat hij van te voren geen munitie had verdeeld onder zijn manschappen
[26] Dit is de Magdalena straat. Deze bekende straat ligt ongeveer 1 kilometer ten westen van de paleizen en het park.
[27] Vrijgeleide of beveiliging
[28] Voor een gedetailleerde beschrijving zie: Johan P. Nater, de Tiendaagse Veldtocht, De Belgische Opstand 1830/183, Haarlem, 1980
[29] Een idee wat rondwaarde is bij afscheiding van België de Kroonprins Koning van België zou worden in plaats van zijn vader.
[30] De getallen van de geleden verliezen variëren in diverse Nederlandse en Belgische bronnen, maar liggen wel allemaal in dezelfde orde van grootte.
[31] Hier vergist Fundter zich in de datum. Het moet 27 september zijn. Het besluit tot terugtocht was namelijk pas in de middag van de 26 september genomen.
[32] Hier vergist Fundter zich. Dit was een dag later op 26 oktober.
[33] Charles Niellon was een Franse (Bourgondische) generaal die een Belgisch vrijkorps had opgericht. Dit waren de “Les Chasseurs Niellon” (De jagers van Niellon). Ze maakten deel uit van het garnizoen van Leuven. In 1832 namen ze ook deel aan het Beleg van Antwerpen.
[34] Dit betekent een cavalerie aanval in verspreide orde
[35] De sterkte was niet onaanzienlijk, namelijk ongeveer 2000 man
[36] Ter herdenking hiervan is een “Belgische’ gevelsteen in het gemeentehuis van Heeze gemetseld.
[37] Daarom werd het Metalen Kruis ook wel Hasselt Kruis genoemd.
[38] De schrijver van de regimentsgeschiedenis eerste luitenant J.C. Fundter, ging als ritmeester eerst naar RL1 en daarna naar DR5. Later zou hij commandant van het Korps Jagers te Paard worden.