1867-1905 4RH en 1RH

Kolonel J.A. van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel

Het Regiment Huzaren van Boreel (RHB) heeft een lange geschiedenis. Dit artikel behandelt de periode 1867 tot 1905. Dit is de periode nadat de 4e Regiment Dragonders tot 4e Regiment Huzaren was gereorganiseerd en later tot 1e Regiment Huzaren werd omgenummerd.

4DR wordt 4RH

De periode van de unificatie oorlogen van Italië en Duitsland brachten grote veranderingen met zich mee. Nadat in 1866 de Duitse Bond zichzelf onder Pruisische druk, had opgeheven werd met het KB No. 65 van 1867 het 5e Regiment Dragonders opgeheven. De vier eskadrons van 5DR werden als reserve-eskadron bij de andere vier Dragonder regimenten ingedeeld. De dragonders werden nu ook herbenoemd in Hussaren. 4e regiment Dragonders (4DR) werd nu het 4e Regiment Hussaren (4RH).

Het nieuwe regiment bestond dus nu uit vier veldeskadrons, een reserve-eskadron (voorheen van 5DR) en een depot-eskadron. De nieuwe regimentscommandant werd de oude regimentscommandant van 4DR: Jhr. P.A.J.H. Boreel de Maregnault (een nazaat van de oprichter van 4RH in 1813). Hij zou regimentscommandant blijven tot 1871. Op 15 juni 1867 beloofde Zijne Majesteit, Koning Willem III persoonlijk aan de regimentscommandant dat er een nieuw standaarddoek zou worden verstrekt aan het nieuwe regiment. 

Daarna werd 14 jaar lang niet gereorganiseerd, maar de taak van de regimenten veranderde wel als gevolg van de veranderde wijze van oorlog voeren. Nederland hanteerde namelijk een strikte neutraliteit en gaf de verdediging achter de Nieuwe Hollandse Waterlinie prioriteit. Het veldleger kreeg een verdedigende taak en behoefde geen grote veldcampagnes meer uit te voeren. Dit betekende ook veranderingen voor de cavalerie. Die hoefde geen stootkracht meer te leveren, waardoor zware cavalerie in de vorm van lansiers en dragonders, niet meer nodig was. Er was wel tussen de verdedigingslinies in behoefte aan verkenningen en kleine beweeglijke beveiligingsopdrachten. Lichte cavalerie was nodig, vandaar de verandering in ‘hussaren.’ 

Het 1e en 3e Regiment Hussaren kregen de Rode Attila en het 2e en 4e Regiment Hussaren de Blauwe Attila. Op 1 februari 1869 kreeg 4RH de (door de Koning beloofde) nieuwe Standaard. De andere drie huzarenregimenten kregen hun Standaarddoek pas in augustus 1869. Op alle vier Standaarddoeken stond nog steeds ‘Hussaren.’ De schrijfwijze ‘Huzaren’ werd ingevoerd in 1883. 

Mobilisatie van 1870

In 1870 mobiliseerde Nederland als gevolg van de uitgebroken oorlog tussen Frankrijk en Pruisen. 4RH werd ingedeeld bij de 3e Divisie, gecommandeerd door luitenant-generaal Knoop. Het divisiehoofdkwartier was in Arnhem. Omdat de regimentscommandant kolonel Boreel de Maregnault belast werd met het bevel over de 2e Brigade, nam majoor van Dorp tijdelijk het commando over 4RH op zich. Op 21 juli 1870 verliet 4RH haar vredesgarnizoen in Deventer en Zutphen en marcheerde naar haar oorlogsbestemming aan de oostelijke grens, namelijk bij Doesburg, Velp, Arnhem en Bemmel. Elk eskadron zond een ‘veldwacht’ uit ter sterkte van een peloton, respectievelijk naar Lochem, Laag-Keppel, Zevenaar en Nijmegen. 

De ‘Boreelkazerne’ in Deventer kreeg deze naam pas in 1934. Daarvoor was het gewoon ‘Cavalerie kazerne.’

In deze locaties werd door de eskadrons gewoon verder geoefend. Enkele eskadrons namen deel aan de gecombineerde infanterie-artillerie-cavalerie oefening bij het Lathumse Veer. Om verveling te voorkomen en ervaring uit te breiden wisselden de eskadrons enkele malen gedurende de twee maanden durende mobilisatie van standplaats.

Ondanks de mobilisatie werden er nog wel parades gehouden. Op 5 augustus op het Willemsplein en de binnen-singels van Arnhem, ter ere van de verjaardag van H.M. Wilhelmina (dochter van Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden en getrouwd met de Koning van Zweden). Op 25 augustus werd weer een parade gehouden. Dit keer ter gelegenheid van de verjaardag van Z.K.H. Prins Willem Alexander. Aan de oostgrens bleef het rustig en op 21 september (de dag voor de demobilisatie) werd nog een grote troepenschouw (revue) gehouden op het Papendaalse Veld (west van Huize Lichtenbeek) door Z.K.H. Frederik Prins van Oranje. In zijn rol als bevelhebber van het veldleger had Prins Frederik op 17 september vanuit zijn hoofdkwartier in Utrecht een proclamatie als dankwoord geschreven ter gelegenheid van de demobilisatie:

“De Oorlog, die ons te wapen deed komen ter beveiliging van Neerlands onzijdigheid, is ver van onze grenzen verwijderd gebleven. ’s Konings Regering heeft derhalve het langer tezamen blijven van het Leger niet nodig geacht. Achtereenvolgens zullen de troepen te Velde naar hunne garnizoenen, de buitengewone opgeroepen miliciens naar hunne haardsteden terugkeren. Onze taak is volbracht. Op mij rust echter nog een aangename verplichting. Het is om aan de miliciens van de verschillende lichtingen mijnen dank te betuigen voor hunnen trouw en spoedige opkomst onder de wapenen, die zo gunstig getuigt voor hun plichtbesef en vaderlandslievende gevoelens en om U, allen, officieren, onderofficieren en manschappen, die onder mijn Opperbevel zijn geplaatst, dank toe te brengen voor de wijze, waarop gij in het algemeen Uwe plichten vervult en de inspanningen gedragen hebt, die daaraan verbonden waren. Ik houd mij overtuigd, dat gij even welgemoed het gevaar onder de ogen zoudt hebben gezien, indien het noodig ware geweest de onzijdigheid van Neerlands Grondgebied door de wapenen te doen eerbiedigen. Het Vaderland is gelukkig van oorlogsrampen bevrijd gebleven. Niettemin is ons samenzijn nuttig geweest. Voor ons allen was het eene ernstige school van oefening en voorbereiding. Zijn daarbij de vele gebreken en leemten, meerendeels het gevolg van een langdurige vrede, aan den dag gekomen, onze plicht is het thans tot verbetering daarvan op gepaste wijze en plaats mede te werken. Ten anderen heeft de spoed, waarmede het leger bijeen is gekomen en de aangewezen stellingen heeft bezet, het vertrouwen des Lands geschraagd, terwijl de geest bij de gebeurtenissen der laatste maanden door bevolking en leger aan de dag gelegd, getoond heeft dat Nederland als vrij en onafhankelijk volk, zijne rechten wil handhaven en daartoe tot persoonlijke opofferingen bereid zal worden bevonden. Even als bij ons te zamen komen zij en blijve onze leuze: Leve het Vaderland, Leve de Koning!”

De Generaal der Infanterie
Opperbevelhebber van het Leger te Velde
Get. Prins van Oranje
Voor eensluidende afschrift:
De Kolonel
Chef van de Generale Staf
w.g. B.W Booms

Op 22 september 1870 ware de eskadrons weer in hun garnizoenen teruggekeerd. Op 8 oktober was er alweer een parade. Het regiment stond opgesteld te 12.30 op het exercitieterrein Brinkgreve, om geïnspecteerd te worden door Z.M. Koning Willem III. 51 saluutschoten, afgegeven door het detachement artillerie, opgesteld op het Pothoofd, kondigen zijn aankomst aan. Bij zijn vertrek werden 50 saluutschoten afgegeven. De regimentsorder van 11 oktober gaf uiting aan de bijzondere waardering die de Koning naar aanleiding van zijn inspectie aan het regiment wilde overbrengen. Een andere regimentsorder uit die tijd stelde dat in het burgerrecht de doodstraf was afgeschaft. 

In 1871 trad ook een nieuwe regimentscommandant aan. Kolonel A.J.H. Baron Gansneb gen. Tengnagel nam het commando over. Bij K.B. van 16 juni 1874 wed vervolgens Z. K.H. Willem Alexander Karel Hendrik Frederik, Prins der Nederlanden benoemd tot eerste-luitenant à la Suite bij 4RH. In 1875 was er weer een nieuwe regimentscommandant in de persoon van Kolonel C.L. Scheidler List. Tijdens een ‘soirée’ (avondfeest) op Paleis ‘het Loo’ in 1879 liet Z.M. Koning Willem III, in bijzijn van vele gasten, lovend uit over het Regiment, waarbij het ondermeer het optreden bij Quatre Bras en Waterloo aanhaalde. Koning Willem III was verzot op zijn ‘hussaren’ en vertoonde zichzelf graag in een hussaren-uniform.

De verrassende Pruisische overwinning op Frankrijk en de hierop volgende stichting van het Duitse Keizerrijk in 1870 leidde ook in Nederland tot herbezinning op de taak en de organisatie van de Krijgsmacht. Niet alleen bij de legerleiding, maar ook bij de politiek. Het onbevredigende verloop van de mobilisatie droeg hieraan ook bij. Het aandeel van de cavalerie in de totale legersterkte zakte naar ongeveer 5%, terwijl dit in de omliggende landen meestal ongeveer drie keer zo groot was. Cavalerie was absoluut noodzakelijk voor het uitvoeren van offensieve operaties. Het tekort aan zware cavalerie in Nederland maakt het uitvoeren van offensieve acties van enige omvang en duur vrijwel onmogelijk. 

4RH wordt 1RH

In 1881 werd het Wapen der Cavalerie met één regiment verminderd. Het 1e Regiment Huzaren (1RH) werd opgeheven en eskadrons werden als 5e eskadron aangehecht bij de overblijvende drie huzaren regimenten, die hiertoe wel hun reserve-eskadron moesten inleveren. Het 1e eskadron van het opgeheven 1RH werd nu 5e eskadron van 3RH, het 2eeskadron 1RH werd nu 5e eskadron 2RH en het 3e eskadron werd nu 5e eskadron van 4RH. Het 4e eskadron 1RH werd Eskadron Ordonnansen en bleef de Rode Attila dragen. 

Om de nummering in orde te houden, werd het 4e Regiment Hussaren nu echter het 1e Regiment Hussaren. Het Standaarddoek werd in verband hiermee ook gewijzigd. Er ontstond nu echter plaatsgebrek bij het nieuwe 1RH (oud 4RH) in Deventer en Zutphen. Het depot-eskadron werd overgeplaatst naar Amersfoort en tijdelijk gelegerd in de kazerne Davidshof aan de Westsingel. In 1883 kon de nieuwe kazerne der Bereden Wapens in Amersfoort door de veldartillerie en de huzaren betrokken worden. Ook het Eskadron Ordonnansen kwam in 1885 naar Amersfoort en bleef de Rode Attila dragen. Hiermee onderscheidde dit eskadron zich van het depot-eskadron van (het nieuwe) 1RH wat immers de Blauwe Attila droeg. 

In deze tijd werd ook een Rij- en Hoefsmidschool opgericht, gelegerd in Venlo. De officieren en onderofficieren van 1RH gingen hier bij toerbeurt op cursus. In 1886 verhuisde deze school ook naar Amersfoort. Aan de Hoefsmidschool werden ook vele burgerhoefsmeden opgeleid. Bij de Rijschool behoorde ook het paardendepot. Nieuwe paarden voor de cavalerie en artillerie werden vaak in Ierland gekocht. Na aankomst in Nederland gingen ze eerste een jaar naar het Remontedepot in Nieuw Milligen. Daarna kwamen ze voor verdere africhting pas naar het paardendepot in Amersfoort. 

Korte tijd voerde kolonel E.D. Geukema Bakker het commando over het regiment 1RH. In 1882 trad Kolonel G. Holtius aan als regimentscommandant. Vanaf 1883 werd ook de officiele schrijfwijze ‘huzaren’ ingevoerd en liet met de vertrouwde schrijfwijze ‘hussaren’ vallen. In 1886 werd kolonel P.H.J. Thirion (geen foto) regimentscommandant en in 1890 op zijn beurt weer opgevolgd door kolonel Jhr. P. Gevaerts van Geervliet

In een regimentsorder van 23 november 1890 werd namens de Minister van Oorlog Bergansius, het overlijden van Z.M. Koning Willem III op het Koninklijk Verblijf ‘Het Loo’, bekend gesteld. In verband hiermee werd voor 7 weken zwaren en voor 6 weken lichte rouw aangenomen. Om beurten betrokken de eskadrons met omfloerste Standaard, de erewacht op ‘Het Loo’.  Vanwege de strenge winter werden de schildwachten van de eskadrons om het uur afgelost en werden schildermantels door hen gedragen. 

Een muziekkorps voor 1RH

Rond de kern van de trompetters werd ook een muziekkorps geformeerd. De hiervoor benodigde muziekinstrumenten werden geschonken door de officieren van het regiment, door het bedrijfsleven en de burgerij. Ondermeer gaf de kolonel Baron Rengers een paar pauken en ritmeester Vertholen de Salve de Bruneton vier bazuinen, met gouden vanen. Het muziekkorps van het regiment marcheerde vaak door de stad en speelde op ‘de Brink’. In die tijd werd dat door de burgerij zeer gewaardeerd. Voor de welgestelde burgers waren er ook muziek concerten in de schouwburg. In 1890 werd adjudant H. Karels benoemd tot kapelmeester van het regiment. Het regimentsmuziekkorps breidde zich gaanderweg uit tot een sterkte van 22 man, waaronder 12 élèves (=studenten). Onder leiding van kapelmeester Karels kreeg het muziekkorps bekendheid tot ver buiten de landsgrenzen. Ondermeer werd in Duitsland opgetreden.

Inzet van 1RH bij onlusten

Vrijwel jaarlijks nam 1RH deel aan de legeroefeningen in het Kamp van Zeist en later ook in het Kamp van Millingen. Door het Nederlandse neutraliteitsbeleid mocht de legerleiding zich niet richten op één vijand, maar dit neemt niet weg dat de mogelijkheid van een Duitse aanval de meeste aandacht kreeg. In dat geval voorzag men het optreden van een cavaleriebrigade (met 1 en 2RH) oost van de IJssel met een beveiligenden en vervolgens  vertragende opdracht. 3RH zou in dit geval langs de Noordzeekust gestationeerd blijven. In de jaren tachtig begon men in gedachten al de Nieuwe Hollandse Waterlinie te verlaten, om verder oostwaarts de Grebbelinie te betrekken. Iedereen was het er wèl over eens dat het Nederlandse leger te zwak was voor een hardnekkige verdediging achter de verlengde IJssellinie.

In de periode 1890-1893 was er sociale onrust vanwege de slechte leefomstandigheden in o.a. de veenkoloniën in Noord Nederland. Ook teisterden een drietal chorala epidemiën de bevolking.  De minister van Binnenlandse Zaken besloot in 1892 om troepen naar deze gebieden te sturen en delen van het regiment werden naar Friesland en Groningen te verplaatst. Eskadrons of detachementen werden gelegerd in Leeuwarden, Harlingen, Pekela, Veendam, Wildervanck, Bellingwolde en enkele andere plaatsen. Op vertrok o.a. een detachement huzaren bij 20 graden vorst, onder leiding van de luitenants Hoogstraten en Gelderman naar Leeuwarden. Vooral in Pekela, Veendam en Bellingwolde moest hardhandig worden ingegrepen. In Friesland bleef het rustiger. Zowel in Groningen en Friesland verenigden lokale bestuurders en ondernemers zich in de zogenaamde ‘Bonden van Orde door Hervorming’ om verbetering in de arbeidsomstandigheden te brengen. Dit hielp beter dan militair geweld. Half februari keerden de detachementen weer terug naar Deventer. In 1894 werden alle militairen eenheden uit Groningen teruggetrokken.

Een nieuw Standaarddoek 

In 1893 aanvaardde kolonel F.C.W. Juckema van Burmania Baron Rengers het commando over het regiment. Reeds geruime tijd was men in deze jaren doende om het Standaarddoek te vervangen. Op 21 september 1893 kregen alle cavalerie- en infanterie regimenten op het Maliveld in Den Haag de nieuwe Standaarden en Vaandels uitgereikt door H.M. Koningin Wilhelmina die toen pas 13 jaar oud was. Ze werd bijgestaan door haar moeder, de Koningin-Weduwe-Regentes Emma. 

Malieveld, 21 september 1893

1RH was vertegenwoordigd door de regimentscommandant, de ritmeester-adjudant Jhr. Strick van Linschoten, twee onderofficieren en een bereden peloton op zwarte paarden, onder commando van de eerste-luitenant S.J. van Overveldt. 2RH leverde een bereden peloton op bruinen paarden. De beide pelotons werden tezamen gecommandeerd door een officier van 1RH, namelijk ritmeester van den Berg van Saparoea. De oude Standaard werd meegevoerd door de Standaarddrager adjudant Steyesel, terwijl opperwachtmeester Lier meeging om de nieuwe Standaard af te halen. Nadat in de morgen de sergeant-majoors en opperwachtmeesters van de regimenten de nieuwe Vaandels en Standaarden bij het Ministerie van Oorlog hadden opgehaald onder geleidde van een peloton grenadiers, stonden om 12 uur alle troepen op het Malieveld opgesteld, de huzaren met de rug tegen de Boorlaan. Vele officieren waren aanwezig en duizenden belangstellende omzoomden de paradeplek. De Minister van Oorlog, kolonel Seyffardt, werd ontvangen door de paradecommandant, luitenant-generaal van Helden. Tromgeroffel, hoorn- en trompetsignalen kondigden de komst van de H.M. Wilhelmina aan. In een à la Daumont bespannen Calèche (=rijtuig) reden de 13-jarige vorstin en haar Koningin-Regentes het Malieveld op. Na de inspectie door de moeder-regentes en een verandering in de opstelling van de troepen, was het plechtige ogenblik daar. De regimentscommandanten, de vaandel- en standaarddragers en de regimentsadjudanten stonden opgesteld voor het Koninklijke rijtuig. De ban werd geopend. Doodse stilte. De jonge Koningin, bijgestaan door de Adjudant van Dienst, Jhr. De Ranitz, reikte nu achtereenvolgens aan elk der regimentscommandanten het Vaandel of Standaard uit. Zo ook aan kolonel Baron Rengers. De Koningin sprak hierbij de volgende woorden: “Kolonel ! Ik stel het op hoge prijs de nieuwe Standaard persoonlijk aan u te mogen uitreiken, en uit daarbij mijne beste wensen voor het 1e Regiment Huzaren.” Op het nieuwe Standaard stond nu ‘Huzaren’ in plaats van ‘Hussaren.” Er waren echter nog geen toegekende opschriften aangebracht.

De Koningin-Regentes Emma sprak daarna de aangetreden regimenten als volgt toe: “Officieren, onderofficieren, korporaals en manschappen! De plechtigheid, waarvoor wij hier tezamen kwamen, geeft mij een welkome aanleiding, u de verzekering te geven der oprechte gehechtheid van de Koningin en van mij aan het leger. God geve, dat de nieuwe vaandels en standaarden, zoëven door de Koningin uitgereikt, slechts in tijden van voorspoed en vrede moge worden gedragen als het zinnebeeld van alles wat ons heilig is: de eer van het leger, dat is de eer van het Vaderland! Maar indien ooit, wat God verhoede, een zwaardere taak van U mocht worden gevraagd, dan – ik ben er van overtuigd – zal geen offer te groot zijn voor de handhaving van ons onafhankelijk voortbestaan. Niemand onzer zal voorzeker dit plechtige ogenblik ooit vergeten, toen Nederlands jonge Koningin, omringd door een getrouw leger en ten aanschouwe van een getrouw volk, de nieuwe vaandels uitreikte. Die vaandels, gij zult ze hoog houden, onder alle omstandigheden, tot eer van ons volk, tot heil onzer Koningin en van het ons allen zo dierbaar Vaderland!”

De Minister van Oorlog, sprak namens het leger een dankwoord uit richting de Koningin: “Majesteiten!  Het is mij een onschatbaar voorrecht, aan Uwe Majesteiten, namens het leger, eerbiedig en oprecht dank te mogen betuigen voor de grote eer, zoëven aan de landmacht bewezen. Het plechtige ogenblik van de uitreiking der nieuwe vaandels en standaarden door de hand van Neerlands beminde Jeugdige Koningin en van de hooggewaardeerde toespraak onzer geliefde Koningin-Regentes, zal ons onvergetelijk zijn. Wij zullen die vaandels bewaren als een heilig onderpand van onze Koningin in tijden van vrede en voorspoed, maar mocht het nodig zijn, in de ure des gevaars. Dan zal de aanschouwing van die vaandels ons bezielen tot navolging van de grote daden, waarin de vorsten uit ons dierbaar stamhuis van Oranje-Nassau, sinds eeuwen ons zijn voorgegaan. Rondom die vaandels geschaard, zullen wij steeds onze plicht doen, tot heil des volks, tot eer van Koningin en Vaderland!. Wij allen, hier tegenwoordig, bezegelen deze belofte met de uitroep: “Leve de Koningin, Leve de Koningin-Regentes!”

Het hoerageroep van de aangetreden eenheden en de omringende bevolking overstemden bijna het ‘Wilhelmus’ van de talrijke eveneens aangetreden muziekkorpsen. Het hierop volgende defilé in de gewone en daarna versnelde pas van de infanterie en in draf en galop door de cavalerie en artillerie, onder de opwekkende tonen van de Grenadiermars, vormden een waardig slot van de ceremonie. Voor alle aanwezigen, waaronder ook vele officieren van 1RH, was het een dag van ‘wijding en luister’ om niet snel te vergeten. 

Oefeningen

Drie eskadrons van 1RH steken bij Bronkhorst de IJssel over, augustus 1894. Gekleurde tekening van kapitein der infanterie W.C. Staring, NMM

In deze jaren werd veel rivierovergangen beoefend, meestal in klein verband. Op 29 augustus 1894 gebeurde dit echter in regimentsverband tijdens een grote legermanoeuvre. Drie eskadrons van 1RH onder leiding van de luitenant-kolonel J.A Ort staken zuid van Deventer, bij Bronkhorst de IJssel over. Er waren geen ongevallen. De ongeveer 300 paarden zwommen in kleine groepen achter roeiboten de rivier over. De Regimentsmuziek speelde hierbij opwekkende marsmuziek, waaronder: “Kees, Kees, Kees, je hebt er water bij gedaan.”

In 1895 aanvaardde kolonel J.A. Ort het regimentscommando. In april 1896 vonden de eerste gezamenlijke schietoefeningen plaats op de legerplaats Oldenbroek. Op 3 september 1896 schonk ritmeester Twiss een fraai bewerkte en gekroonde zilveren bokaal, afkomstig uit de nalatenschap van Z.M. Koning Willem II aan het officierskorps van 1RH.

Nieuwe standaardopschriften

Bij K.B. van 7 augustus 1896 werd bepaald welke opschriften de vaandels en standaarden van de Nederlandse regimenten mochten dragen. Terwijl op de meeste infanterie vaandels in 1896 de opschriften ‘Quatre Bras 1815’, ‘Waterloo 1815’ of ‘Citadel van Antwerpen 1830’ werden aangebracht, mocht op de Standaard van 1RH slechts ‘Tiendaagsche Veldtocht 1831’ worden aangebracht. De oorzaak hiervan was dat men alleen de afstamlijn van 10e Regiment Lansiers had aangehouden met als oprichtingsdatum 25 november 1818, die dit opschrift had verdiend.  De stamlijn van RH6, opgericht op 25 november 1813 die wel de opschriften Quatre Bras 1815 en Waterloo 1815 had kregen, werd aanvankelijk niet erkend. Pas in 1919 werd dit rechtgezet en beide stamlijnen erkend. **

** Het Regiment Huzaren van Boreel (RHB) heeft twee stamlijnen, de eerste is die van het Regiment Huzaren van Boreel opgericht op 25 november 1813 en de tweede is die van het 10e Regiment Lansiers (RL10) opgericht op 1 januari 1819. Het Regiment Huzaren van Boreel werd daarna regelmatig ‘omgenummerd’ van 1e, naar 4e en uiteindelijk naar 6e regiment Huzaren. Beide regimenten werden echter in 1841 omgevormd tot respectievelijk het 2e Regiment Lansiers en het 1e Regiment Lansiers. In 1849 werden de beide regimenten samengevoegd tot het 4e Regiment Dragonders. Hierna begon een periode dat men dacht alleen af te stammen van het 10e Regiment Lansiers omdat het 6e Regiment Huzaren nog voor de samenvoeging was ‘opgeheven’ en slechts de restanten ervan bij het 4e Regiment Dragonders waren gevoegd. Deze misvatting was veroorzaakt door de gezag dragende mening van de toenmalige commandant van het 4de Regiment Dragonders luitenant-kolonel K.E. baron van Heerdt. De misvatting bleef echter tientallen jaren bestaan en was de oorzaak dat in 1896 slechts de ‘Tiendaagse Veldtocht 1831’ (verdiend door RL10) aan het Standaard van RHB (toen overigens 1e Regiment Huzaren geheten) werd toegekend en niet de opschriften ‘Quatre-Bras en Waterloo 1815’ (verdiend door RHB). Pas omstreeks 1915 werd naar aanleiding van het boek ‘Oorsprong en Standaard van het 4e Regiment Huzaren’ door luitenant F. Beelaerts van Blokland vastgesteld dat het inmiddels 4e Regiment Huzaren ook afstamde van het Regiment Huzaren van Boreel uit 1813. En toen kreeg ook het regiment in 1919 terecht uiteindelijk naast ‘Tiendaagse Veldtocht 1831’ ook het opschrift ‘Quatre Bras en Waterloo 1815’ op haar Standaard. 

In verband met de toekenning van het opschrift ‘Tiendaagsche Veldtocht 1831’ stond het regiment op 31 oktober 1896 opgesteld op ‘De Brink’ in Deventer. De regimentscommandant, kolonel Ort, sprak daarna het regiment toe. Hij legde uit waarom op deze dag de Standaard ontplooid werd voor het front van het regiment. Daarna haalde hij de eervolle geschiedenis van 10RL aan en eindigde met de woorden: “Met het volste recht prijken dus de woorden ‘Tiendaagse Veldtocht 1831’ op de Standaard. Hoog waarderen wij die eer die door onze voorgangers met de wapens in de hand voor ons werd verworven. Door de krijgsmans deugden van die voorgangers heeft het regiment een schoon verleden. Aan ons is het om de goede naam daarvan te handhaven. In vredestijd door goede oefening, discipline en volle toewijding aan ons schoon beroep. En mocht eenmaal onze Hoogvereerde Koningin ons oproepen tot handhaving Harer rechten of tot verdediging van de Vaderlandse bodem, dan hoop ik, ja ik vertrouw daarop, dat de huzaren van het 1eRegiment het voorbeeld dat de dappere Lansiers van het Regiment No. 10 hebben gegeven, zullen navolgen. Leve de Koningin!”

Een vaste bijeenkomst plaats voor de officieren van 1 RH was hotel ‘De Moriaan’ in Deventer. Hier was een zogenaamde officierstafel en een officierstafel-boek als lidmaatschap. Die werd op 17 december 1897 officieel in gebruik genomen. Ook lokale notabelen vanuit Deventer namen vaak plaats aan die tafel. Later werd de tafel verplaatst naar het woonhuis van de heer Hagen, de directeur van ‘De Moriaan.’ Hier bleef de tafel tot de mobilisatie van 1939. Voor de huzaren was er een militair tehuis in het pand Bergschild 5 met o.a. een schietbaan en een leeszaal. In 1905 kwam er nog een Rooms-katholiek militair tehuis bij in de Smedenstraat. Er was meer vertier want in 1897 werd aan het regiment bekend gemaakt, dat vanaf 21 februari, slipjachten achter honden zouden worden gereden onder leiding van Baron van Heeckeren bij Bingerden.

Militair denken van destijds

Aan het einde van de 19e eeuw werd in Nederland een verhitte discussie gevoerd over de landsverdediging en de volksweerbaarheid. Het ging hierbij vooral om de te volgen politieke strategie (neutraliteit of bondgenootschap), militaire strategie (defensief of offensief) en bijbehorend legervormingssysteem (beroeps, dienstplicht of mengvorm) inclusief de grootte van het leger. Gezien unificatieoorlogen op het Europese vasteland en de koloniale oorlogen van destijds werd de roep om een moderner leger sterker en nam de overhand. Om Nederland op internationaal gebied weer mee te laten tellen, het volk ‘weerbaarder’ te maken en ‘vaderlandsliefde’ bij te brengen ging men na veel politieke discussie (met een zeer actieve rol van leidende officieren) over tot invoering van de dienstplicht. Ook werd gekozen voor meer offensievere militaire strategie. Dit laatste betekende dat de strijd niet alleen vanuit de Nieuwe Hollandse Waterline en andere verdedigingslinies statisch werd gevoerd, maar dan het leger ook voor, in en achter deze verdedigingslinies moest kunnen optreden. Dit leidde automatisch tot een grotere behoefte aan moderne technologie en vooral mobiliteit. 

De Nederlands militaire deskundigen sloten zich met hun offensievere opvattingen aan bij de veranderingen in militair denken in Europa. Offensief optreden werd zowel op tactisch als strategisch gebied gezien als sleutel tot de overwinning. Voorbeelden van dergelijk doorslaggevend offensief optreden waren vanzelfsprekende de klinkende Pruisische overwinningen op Denemarken, Oostenrijk-Hongarije en Frankrijk en de overwinning van de Noordelijke troepen op de Zuidelijke troepen in de Amerikaanse burgeroorlog. De inzet van krachtig aanvallende infanterie in de Boerenoorlog en de Japans-Russische oorlog leek deze conclusie te bevestigen, hoewel hier nog wel wat op af te dingen valt. Politici wierpen tegen dat een krachtig offensief leger de traditionele Nederlandse neutraliteit in gevaar bracht, maar generaals stelden juist het tegenover gestelde. Een sterke legermacht, zou potentiële vijanden juist afschrikken en weerhouden om Nederland binnen te vallen. Het kon er bovendien voor zorgen dat, bij een eventuele vijandelijke inval, Nederland voor haar eigen belangen kon opkomen en geen bondgenoot nodig had. De legerplannen van destijds werden daarom geen aanvalsscenario’s uitgewerkt die de neutraliteit in gevaar brachten. De legerleiding onderscheidde drie mogelijke gevallen voor strategisch-offensief optreden door het veldleger. Dit waren een flankaanval op een (Duits) leger wat door Limburg en Brabant trok, een offensief via Friesland in zuidelijke richting naar een vijandelijk leger dat voor de Waterlinie stond en het onwaarschijnlijke geval van een aanval op België. 

De nadruk op offensief optreden werd ook ingegeven door de snelle toeneming van de vuurkracht door technische ontwikkelingen. De effectiviteit van de artillerie ging met sprongen vooruit door de ontwikkeling van brisantgranaten en getrokken lopen bij artilleriestukken en mortieren. Ook de vuurkracht van de infanterie nam toe invoer rookzwak buskruit, nieuwe geweren voor de infanterie en (later) eerste versies van mitrailleurs. De mechanisering ging in snel tempo en de uitvinding van auto, luchtschip, vliegtuig, motor en fiets bood kansen om de mobiliteit van eenheden te vergroten waardoor offensief optreden gemakkelijker werd.

De modernisering van Nederlandse leger werd beklonken door de Nieuwe Militiewet van 1901. Deze wet voorzag in een driedeling militie-landweer-landstorm, waarbij een (offensief) veldleger werd opgezet naast de bezettingstroepen (van de defensieve verdedigingslinies) en depottroepen. De diensttijd bleef 1 jaar. Neutraliteit bleef de hoeksteen van ons veiligheidsbeleid. Ingeklemd tussen de grote mogendheden Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië bleef Nederland (met haar goede infrastructuur) kwetsbaar. De aanvankelijk eenzijdige vrees voor Duitsland (als gevolg van de unifactie oorlogen) maakte plaats voor angst voor neutraliteitschending ten gevolge van een conflict tussen twee of meer grote mogendheden, waar Nederland tegen zijn wil bij kon worden betrokken. Ondermeer ingegeven door de verontwaardiging onder de Nederlandse bevolking tegenover Groot-Brittannië naar aanleiding van de Boerenoorlog. Het meest geschikte middel tegen neutraliteitschendingen leek het veldleger, niet het vestingstelsel. Bij een mobiel veldleger hoorde ook modern materiaal. In deze periode werden daarom (na proefnemingen) nieuwe geweren, auto’s en vliegtuigen ingevoerd, evenals modern snelvuurgeschut bij de veldartillerie en stellingartillerie.

Invoer nieuw geweer

Het Nederlandse leger voerde sinds 1871 het enkelschots Beaumontgeweer M71, kaliber 11 mm. In 1895 was echter het Mannlichergeweer M95 ingevoerd. (op de video op 4’20” het cavalerie karabijn model, kenmerkend waren o.a. het houten blokje op de linkerzijde van het patroonmagazijn en de cordonbeugels op de zijkant in plaats van de onderzijde zodat de karabijn te paard gedragen kon werden en het metaal het uniform niet beschadigde).

Dit geweer maakte gebruik maakten van rookzwak kruit. Hierdoor was er minder rook en minder vervuiling in de loop. De patronen konden hierdoor kleiner worden en de geweren lichter. Ook werd de positie van de schutter niet langer verraden door een rookwolk. Het nieuwe geweer bleef tot 1940 in de bewapening. Het was een repeteergeweer met een houder voor vijf patronen. Het kaliber was 6,5 mm. In 1905 werden in licentie de geweren gemaakt bij de Artillerie Inrichtingen Hembrug. De bajonet werd na 1914 opnieuw ingevoerd, naar aanleiding van de Eerste Wereldoorlog. Daartoe werden de bajonetten van de oude Beaumontgeweren ingekort en passend gemaakt. Vanwege de nieuwe bewapening werd in 1897 een contract gesloten tussen het Rijk en de stad Deventer voor aanleg van nieuwe schietbanen op de Bergweide. De kosten hiervan waren 9.300 gulden. Het Rijk pachtte de schietbanen voor 600 gulden per jaar. 

Beaumont geweer M1871

Tijdens de eerste wereld oorlog werd een bajonet ingevoerd voor de karabijn No.1 O.M. 

De reden hiervoor was dat de cavalerie troepen van andere landen ook waren uitgerust met bajonetten. De door Nederland gekozen oplossing was zowel simpel als goedkoop; de oude Beaumont bajonetten werden ingekort en voorzien van een metalen ring binnenin de loopring om de bajonet zo passend te maken voor de M95 karabijn die een veel dunnere loop had dan de het oude Beaumont geweer. De M95 bajonet t.b.v. de karabijn No.1 O.M. had een lederen schede met een geïntegreerde lederen koppelriem en een lederen handvat sluitriem. 
De laatste karabijn bajonet van de Nederlandse strijdmacht was die voor op het karabijn No.1 N.M. welke in 1918 werd ingevoerd. Deze bajonet had dezelfde handgrepen als de bajonetten t.b.v. de No.3 en No.4 maar had hetzelfde lemmet als dat van de door het KNIL gebruikte bajonet. Dit was een mes-vormig type bajonet met een dubbelzijdig snijvlak. De bajonet had een totale lengte van iets meer dan 37 cm.

Oefeningen en inzet

In juli 1897 werd er opnieuw een rivieroversteek oefening gehouden bij de IJssel. Ditmaal werd ook met de opvouwbare Berthon-boot geoefend. Bij deze oefening gingen ongeveer twee eskadrons de IJssel over, ter hoogte van de meelfabriek van de N.V. Van Der Lande.  Ook deze overtocht verliep zonder problemen. De tweede luitenant Jhr. Van Reigerberg Versluys zwom bij deze gelegenheid geheel gekleed naast zijn paard de IJssel over. De eerste-luitenant Jhr. Meyer, eveneens in volledig tenue, zwom te paard over, waarbij zijn hond hem achterna kwam. Al zwemmende wist de hond zijn baas te bereiken en klauterde op zijn schouders, zodat hij met zijn voorpoten op diens kepi, de overtocht mee maakte. De ‘Daily Graphic’ schreef over de manoeuvre een waarderend artikel met hierin geslaagde schetsen. In het artikel werd herinnerd aan de Hollandse ruiters en paarden, die onder aanvoering van Stadhouder Willem III tijdens de strijd in Ierland de Boyne moedig waren overgezwommen.

Van 3 tot 9 september 1898 werden drie eskadrons, onder commando van Majoor Smeding, gedetacheerd te Amsterdam, ter gelegenheid van de inhuldigingsfeesten van H.M. Koningin Wilhelmina. Op 21 september nam het regiment deel aan de grote leger-revue op de Renkumse heide. 

In februari 1899 vierde 1RH te Deventer ietwat verlaat zijn 90ste verjaardag, omdat de destijds geldende officiële datum 25 november 1818 was. 

In 1899 werd kolonel J.R.A.W. Highly benoemd tot regimentscommandant. In verband met de spoorwegstaking van 1903 werden delen van het regiment ingezet voor bewaking van enkele stations en spoorwegemplacementen. Twee pelotons, o.l.v. de eerste-luitenants Jhr. Van de Poll en Werner werden daartoe tijdelijk in Winterswijk geplaatst.

Van 29 april tot 9 mei 1899 leverde tweede luitenant Jhr. Godin de Beaufort een bijzondere hippische prestatie. In deze 10 dagen legde hij met zijn paard ‘Mascotte’ de afstand Amsterdam-Wenen (1256 km) af en zwom zelfs de laatste dag over de Donau! In datzelfde jaar aanvaarde kolonel H.F.D. Braams (geen foto) het commando, nadat slechts enkele maanden het regiment onder het commando van kolonel Jhr. W.P. Boogaert was geweest. In 1904 defileerde het regiment op paleis ‘Het Loo’ voor H.M. de Koningin. Na afloop werd iedere deelnemer op het paleis ontvangen. 

Bij K.B. van 17 augustus 1905 werd het 1e Regiment Huzaren weer in 4e Regiment Huzaren ombenoemd. 

error: Hey Verkenners en Boreelfans, deze inhoud is tegen onbevoegd opslaan beveiligd!