Door kolonel Hans van Dalen, Regimentscommandant Huzaren van Boreel

‘Cavalry is useful before, during and after the battle’ – Napoleon
‘… the victory will remain with the side having the last squadrons in reserve …’ – Antoine-Henri, Baron de Jomini
De afgelopen jaren wordt er terecht veel gepubliceerd over cavalerie inzet in moderne oorlogvoering en over de mogelijke rol die cavalerie krijgt in toekomstige oorlogvoering. Toch liggen er nog altijd lessen verstopt in de manier waarop cavalerie in het verleden werd ingezet. Deze lessen moeten we in ogenschouw blijven nemen als we ons bezinnen op de toekomstige inzet van ons wapen. We kunnen immers alleen de weg naar de toekomst inslaan als we weten waar we vandaan komen. Ik dit artikel behandel ik een aantal algemene zaken over oorlogvoering in de Eeuw van Verlichting. Daarna ga ik kort in op de rol van andere wapens, zoals infanterie en artillerie. Vervolgens richt ik de aandacht op cavalerie in West- en Oost-Europa en als laatste behandel ik de inzet van cavalerie charges op het slagveld.
Oorlogvoering in de Eeuw van de Verlichting
De Eeuw van Verlichting (ook wel Eeuw van de Rede genoemd) was een cultureel-filosofische en intellectuele stroming die ongeveer samenviel met de 18e eeuw. Het was vooral een reactie van filosofen op dogmatisch autoriteitsgeloof, die probeerde de rol van rede en intellect te vergroten. Wetenschap en redenatie werden bevorderd en bijgeloof, intolerantie en rechtsmisbruik bestreden. Deze stroming maakte in Europa grote krachten los en zette de pijlers onder de moderne westerse beschaving met ideeën over gelijkheid, mensenrechten, grondrechten, individualisering, feminisme, socialisme, liberalisme, secularisering en globalisering.
De stroming had ook grote invloed op het militaire denken. Het gebruik van militaire middelen werd minder het domein van dominante koningen en adellijke veldheren. Er kwam steeds meer ruimte voor talent vanuit lagere rangen en het aantal wetenschappelijke studies over oorlogvoering nam toe. Militaire inzet werd steeds vaker wetenschappelijk benaderd (o.a. door Maurice de Saxe, Frederick de Grote, Eugene van Savoie, Charles XII, Vauban en Menno van Coehoorn). Zeker omdat niemand in die tijd een technologisch, conceptueel of moreel overwicht had (het patriottische vuur zou pas na de Franse revolutie ontwaken), kon de kans op succes min of meer mathematisch worden berekend. Strijdmachten werden hierdoor pas ingezet als succes verzekerd was. Terughoudendheid was het devies. Er was nog een tweede reden waardoor er verhoudingsgewijs niet veel gevochten werd. Staatshoofden ontleenden voor een gedeelte hun autoriteit en legitimiteit aan het bezit van een leger. Een leger was immers het fysieke bewijs dat staatshoofden hun onderdanen konden beschermen tegen rovende en plunderende vijandelijke legers. Ook was een leger het ultieme machtsmiddel van koningen om rebellerende onderdanen in de toom te houden. Verlies van een leger maakte een regime dus kwetsbaar voor binnenlandse rebellie of voor een buitenlands geïnstigeerde troonwisseling. En dus was men over het algemeen terughoudend met risicovolle inzet van legers.
De nadruk van de manoeuvres lag dus vooral op het creëren van gunstige uitgangsstellingen door bijvoorbeeld vijandelijke aanvoerlijnen (vaak nog rivieren) te onderbreken of strategisch gelegen plekken te veroveren. Omdat deze laatste vaak versterkte plaatsen waren werden er dus veel belegeringen uitgevoerd. Dit speelde met name in West-Europa (met haar uitgebreide infrastructuur en vele waterwegen). In Oost-Europa werden minder belegeringen uitgevoerd en was er meer sprake van lange veldtochten. Daarom was de rol van de cavalerie in Oost-Europa anders dan in West- Europa. Maar daarover later meer.
De legers werden langzamerhand wel groter. Zelfs nog voordat levée en masse was ingevoerd om de successen van de Franse Revolutie te kunnen verdedigen tegen reactionaire mogendheden, nam de omvang van de legers toe. Niet als gevolg van grotere dreigingen, maar als gevolg van de toegenomen bureaucratische mogelijkheden van staten. De staten werden immers als gevolg van de toegenomen kennis door de Verlichting, beter en strakker georganiseerd. Dit grotere organisatievermogen leidde ook tot een betere militaire administratie, waardoor de logistieke en financiële ondersteuning van legers verbeterde. Hierdoor konden staten gemakkelijker grotere legers te velde brengen en deze ook in stand houden. Ziektes en deserties, tot dan toe de voornaamste reden van verliezen, namen hierdoor drastisch af. Logistieke magazijnen namen in aantal en omvang toe en ook verbindingswegen en kanalen werden aangelegd of verbeterd om de oorlogvoering te vergemakkelijken. Oorlogvoering zelf veranderde echter nog niet veel en bleef in de gehele 18e eeuw ongeveer hetzelfde, met slechts lichte technologische vooruitgang. Geen enkele staat had een technologische voorsprong en kon daarom geen langdurig overwicht binnen Europa opbouwen. Omdat fundamentele militaire dreiging (dus bijvoorbeeld gericht op het elimineren van een staat) daarom niet bestond, was er ook geen noodzaak tot grote economische of financiële verandering om de oorlogvoering te verbeteren. Wel werden er stappen gemaakt op het gebied van militaire kennis en zagen de eerste militaire opleidingsinstituten het daglicht. Maar over het algemeen was op het gebied van oorlogvoering, de Eeuw van de Verlichting een eeuw van stilstand en stabiliteit. Pas als gevolg van de ontwikkelingen rond de Franse Revolutie zouden grote veranderingen optreden op het gebied van oorlogvoering.
Slagveld condities
Slagvelden waren nooit vlakke begaanbare velden. Verdedigende legers probeerden immers tot op bepaalde hoogte de kwaliteit van hun verdediging te vergroten door gebruik te maken van hoogteverschillen, bebouwing en bebossing. Ook werden bij langdurige opstellingen (bijvoorbeeld bij belegeringen of grensposities) infanterie ingegraven. Rug en flanken werden daar waar mogelijk beschermd door bos- of moerasgebieden. Vijandelijke naderingsmogelijkheden werden zo mogelijk onderbroken door greppels, sloten en waterlopen om hun gesloten formaties zoveel mogelijk te verstoren. En kleine dorpjes werden soms benut voor verdedigende opstellingen. De terreincondities konden ook weer niet te chaotisch worden, omdat dit de eigen manoeuvremogelijkheden kon belemmeren. Ook de eigen zijde moest immers manoeuvreren met infanterie- en cavalerie-eenheden om vijandelijke verrassingen te kunnen weerstaan. En om verband in deze manoeuvres te behouden was nu eenmaal ruimte nodig.
Dit gold natuurlijk nog meer voor de aanvallende partij. Deze had enerzijds baat bij gedekte naderingsmogelijkheden om de positie, sterkte en aanvalsintenties niet bloot te geven. Maar na inzetten van de aanval was toch vooral manoeuvreruimte nodig om de eigen formaties zo georganiseerd mogelijk voorwaarts te kunnen bewegen en maximaal (vuur)effect op de vijand te kunnen overbrengen.
De al eerder genoemde slechte zichtcondities waren de belangrijkste reden dat het moeilijk was om met eenheden te manoeuvreren op het slagveld als de gevechten begonnen waren. Zelfs met helder weer was het moeilijk overzicht te houden met het blote oog of telescoop. Bovendien waren er nog nauwelijks kaarten of van zeer slechte topografische kwaliteit. Generaals hadden daarom nauwelijks kennis van het terrein en vijandelijke troepenverplaatsingen werden soms gemaskeerd door heuvels. Veel slagen werden daarom beslist door verrassende gemaskeerde troepenverplaatsingen. Het vermogen om de tactische voordelen van een terrein te begrijpen was een belangrijke voorwaarde om een succesvolle generaal te worden. De cohesieproblemen op het gevechtsveld werden verergerd door matige communicatiemiddelen. Signaalhoorns hadden maar een beperkte reikwijdte en werden vaak niet gehoord of begrepen. Vlagsignalen hadden geen nut, omdat ze door de rook of ligging van het terrein niet gezien konden worden. Het belangrijkste communicatiemiddel was daarom de ordonnansofficier op een paard, maar dan moest hij de aan te sturen eenheden wel kunnen vinden. Bovendien waren er veel kleine formaties en nauwelijks grotere, waardoor het geheel moeilijk was te beheersen voor generaals. Strikte lineaire formaties waren en bleven daarom noodzakelijk om chaos op het slagveld te voorkomen.
Niet alleen de zichtcondities waren slecht, ook de gehoorcondities. Het lawaai op het slagveld was vaak oorverdovend, met bulderende kanonnen, vurende musketten en elkaar moed in schreeuwende mannen. Ook cavaleriecharges waren luidruchtig, met veel lawaai van paardenhoeven, trompetsignalen en schreeuwende en krijsende mannen. De betere officieren hadden hun mannen geleerd om stil te zijn en rustig te blijven tijdens de gevechten, maar de adrenaline en psychologische druk was vele mannen toch teveel.

Infanterie en artillerie
De koningin van het slagveld was in die tijd de infanterie. Gevechten waren tot op zekere hoogte een krachtmeting tussen formaties manoeuvrerende en vurende infanterie met cavalerie vaak op de flanken, die onderling gevechten aangingen. Zeker aan het begin van de achttiende eeuw werd er daarom veel geïnvesteerd in het verbeteren van de vuurkracht van infanterieformaties. De bajonet verdrong de piek langzamerhand en het lontslot werd vervangen door het vuursteenslot. Dit maakte het herladen gemakkelijker, waardoor de onderlinge afstanden konden worden verkleind omdat er minder omvangrijke lichaamsbewegingen nodig waren. De formaties werden gesloten en de infanteristen stonden nu schouder aan schouder. Het bataljon was de basisformatie, met 10, 12 of 16 compagnieën, met elk tussen de 50 tot 100 man. Aanvankelijk was het onderhouden van continu vuur het belangrijkste en werden formaties in meerdere rijen opgesteld (diepte belangrijker dan breedte). Maar later werd vanuit psychologisch oogpunt het afgeven van een gemasseerde volleys belangrijker en werden formaties dus breder en ondieper. Hierdoor nam de kwetsbaarheid voor flank- of rugaanvallen door vijandelijke cavalerie echter weer toe. Elite regimenten waren over het algemeen sterker in mankracht dan de speciaal voor een oorlog opgerichte linieregimenten. Het handgemeen was relatief zeldzaam en de meeste slachtoffers vielen door schotwonden. De nauwkeurigheid van de musketten was gering en training benadrukte dus vooral snelheid van vuurafgifte. Gevechtsveld exercitie was voor de infanterie belangrijk om cohesie te houden en vuur werd afgegeven in linies. Er kon echter alleen in stilstand worden geschoten waarbij in de praktijk vuuruitwisseling plaatsvond tussen twee rijen/formaties infanterie op onderlinge afstand van vaak minder dan 100 meter. De psychologische druk op de voorste rij infanterie was dus aanzienlijk. Officieren liepen bij verplaatsingen voorop en zorgden ervoor dat de rijen niet in chaos vervielen, maar verplaatsen zich voorafgaande aan de onderlinge schotenuitwisseling door de rijen naar achteren om vandaar uit de bevelen te geven.
De rol van de artillerie was nog niet zo groot als in onze tijd, maar vooral de psychologische factoren moeten niet worden onderschat. Artillerie was in twee grote groepen ingedeeld, namelijk belegeringsartillerie en slagveld artillerie. Belegeringartillerie was zwaar en moeilijk te hanteren, maar noodzakelijk om vestingen en versterkte steden te beschieten. Met uitzondering van mortieren kon artillerie nog niet indirect vuren, omdat technisch gezien de elevatie beperkt was. Slagveld artillerie kon in lichtere kalibers aan de infanterie-eenheden worden toebedeeld of in grotere kalibers in batterijen worden georganiseerd. De mobiliteit van slagveld artillerie nam aanmerkelijk toe door gestandaardiseerde kalibers en sterkere affuiten. Het zwaartepunt verschoof in de loop der tijd meer naar de in batterijen georganiseerde artillerie. Aanvankelijk werd de slagveld artillerie gezien als aanvulling op het musketvuur van de infanterie, maar in de tweede helft van de achttiende eeuw werd het concept van gemasseerde artillerie toegepast om grote gaten te schieten in infanterieformaties door middel van canister schoten. Daar waar Frederik de Grote nog indruk maakte met batterijen van meer dan 50 kanonnen, organiseerde Napoleon batterijen van meer dan 100 stukken geschut. Nadeel was wel dat artillerie afhankelijk was van de weerscondities en de gebruikte kruitsoort veel rook veroorzaakte dat het zicht op het slagveld ernstig belemmerde. Een ander aspect was medio 18e eeuw de opkomst van bereden artillerie om de bewegingen van de cavalerie te kunnen volgen op het slagveld. Diverse legers in die periode besloten de lichtere vuurmonden (3 en 6 ponders) af te splitsen van de overige artillerie, deze te voorzien van lichtere affuiten en onder te brengen in aparte eenheden, voorzien van volledig bereden personeel.
Gebruik van cavalerie
De rol van de cavalerie op het slagveld was in de Eeuw van de Verlichting nog steeds belangrijk, maar duidelijk ondergeschikt aan die van de infanterie en artillerie. De rol van de cavalerie was afgenomen, omdat de cavalerie moeite had haar effectiviteit te bewijzen tegenover de toegenomen vuurkracht (invoer arquebus) en bescherming (invoer piek) van de infanterie. Ook de invoer van pistolen bij de cavalerie en de toepassing van de zogenaamde caraole (pistolen in linie afvuren en daarna wegdraaien) bracht hierin geen verandering. De reikwijdte van de pistolen legde het af tegen die van de arquebussen en de slag- en stootwapens waren eveneens te kort en te zwak in vergelijking met de piek van de infanterie. De caraole werd zelfs geridiculiseerd als nutteloos. De Franse cavalerie loste dit op door na het afvuren van de pistolen niet weg te draaien, maar met het zwaard in de vuist te chargeren. Maar omdat ‘pistoleers’ echter relatief kleine paarden reden (ze moesten de paarden immers met één hand onder controle kunnen houden omdat ze met de andere hun pistool moesten kunnen richten en afvuren), kwamen deze charges over het algemeen schokvermogen te kort. De effectiviteit van de vuurkracht van de cavalerie hing bovendien ook af van de reactie van de vijandelijke infanterieformaties. Als de vijandelijke infanterie immers stationair en passief was, bleef het initiatief wel bij de beweeglijker eigen cavalerie liggen. De relatieve ondergeschiktheid van de cavalerie zou pas veranderen toen de artillerie effectiever werd en in staat was om de onderlinge samenhang in gesloten infanterieformaties te verbreken door hun rijen te decimeren. Dit was dan ook één van de voornaamste redenen om cavalerie-eenheden door bereden artillerie te laten ondersteunen.
Toch bleef de cavalerie op het slagveld de gehele eeuw toegevoegde waarde houden. Vooral in het begin van de 18e eeuw was de inzet van cavalerie vaak nog beslissend op het slagveld, omdat haar mobiliteit het mogelijk maakte te reageren op slagveld ontwikkelingen, waaronder het uitbuiten van succes. Veel gevechten begonnen niet met infanteriegevechten, maar met onderling kanonvuur of cavaleriegevechten. Vooral omdat de grotere mobiliteit de cavalerie in staat stelde de vijand te bereiken voordat de infanterie dat kon. Veel slagen eindigen bovendien in het begin van de 18e eeuw in cavaleriecharges. Lodewijk de XIV instrueerde zijn maarschalk Luxembourg om ‘vooral met cavalerie te manoeuvreren, omdat het infanteriegevechten nauwelijks iets beslissen en alleen maar verliezen opleveren’. In de loop van de 18e eeuw nam in West-Europa de rol van de cavalerie af in veldslagen. Vooral toen de vuurkracht (betere musketten), bescherming (invoering bajonet) en manoeuvreerbaarheid (dichtere formaties) van de infanterie in de tweede helft van de 18e eeuw verbeterde, werd de cavalerie kansloos tegen goed georganiseerde infanterieformaties. Cavalerie maakte alleen een kans tegen gedesorganiseerde infanterie. Hiervoor moest de artillerie eerst gaten in de dichte infanterieformaties schieten (vandaar dat ze in grotere batterijen opgesteld werden en bereden artillerie werd geformeerd) of moest infanterie psychologisch murw geschoten worden. Dit kostte echter tijd. De cavalerie werd ook ingezet tegen vijandelijke artillerie om het beschieten van de eigen infanterie te voorkomen. De getalsverhoudingen in een legerformatie weerspiegelden de verminderde rol van de cavalerie. Napoleon bepaalde bijvoorbeeld dat slechts één zesde van de Franse legers uit cavalerie mocht bestaan, hoewel hij bij de latere inzet in Oost Europa grotere aantallen cavalerie gebruikte.

Cavalerie was ook een uitstekend middel om te reageren op slagveld ontwikkelingen. Infanterieformaties in linie of vierkant zijn moeilijk te manoeuvreren en moesten vaak eerst weer een enkel of dubbel colonne formatie aannemen om vervolgens op plaats van inzet weer te moeten ontplooien. Zowel de verandering van formaties als het verplaatsen van de infanteriecolonnes kostte veel tijd. Dit zelfde gold voor artillerie eenheden. Het kost nu eenmaal tijd om kanonnen in of uit stelling te brengen. Temeer omdat kanonnen om schootsveld te hebben vaak op hoogteruggen geplaatst moesten worden en behalve het in- en uitspannen van de paarden, kostte ook het richten van de kanonnen de nodige tijd. Beweeglijke cavalerie-eenheden waren een veel snellere manier om te kunnen reageren op gevechtsveldontwikkelingen dan infanterie of artillerie. Met paarden in draf of galop verplaats je nu eenmaal sneller dan te voet en bovendien kun je vanuit de hogere positie in het zadel het gevechtsveld beter overzien. Ook werd cavalerie gebruikt om voordelige uitgangsstellingen te kunnen innemen door het tijdig verkennen en vermeesteren van essentiële terreindelen (bruggen, doorwaadbare plaatsen, steden, kruispunten en hoogteruggen). Normaal gesproken kon men meerdere dagen achter elkaar op redelijke wegen en met een hetzelfde paard 30 tot 45 km per dag af leggen. Op goed getrainde en doorvoede paarden kon men op goede wegen soms 50 tot 75 km per dag afleggen.
De cavalerie probeerde in de 18e eeuw haar rol te verbeteren. Er werd minder aandacht gegeven aan vuurkracht, maar men probeerde vooral het schokvermogen te vergroten. Dit werd gedaan door grotere en betere paarden te fokken en de rijvaardigheden te verbeteren. Ook werd meer getraind op het gebruik van de sabel (en later de lans) vanuit het zadel. Daarnaast werden charges in volle galop of rengalop uitgevoerd en werd de infanterie-cavalerie coördinatie verbeterd.
Paarden werden overigens niet alleen gebruikt voor cavalerie, maar waren ook het belangrijkste trekdier en lastdier voor logistiek en artillerie. En paarden hebben voedsel nodig, veel voedsel. Terwijl een soldaat dagelijks ongeveer 1 ½ pond brood en vlees nodig heeft, consumeert een paard dagelijks 20 pond veevoer of 50 pond vers gras, waaraan eigenlijk nog haver moet worden toegevoegd. Een leger van ongeveer 60.000 man, had vaak ongeveer 40.000 paarden die dagelijks dus 1.000 ton vers gras aten. Dit soort hoeveelheden kon door een leger niet meegevoerd worden. Legers moesten daarom dagelijks grote foeragegroepen uitzenden om voedsel te bemachtigen voor de paarden. Als de grasvoorraad in de nabijheid van een leger was opgegeten, moest een leger dus wel verplaatsen om haar paarden te kunnen blijven voeden. Daarom kon ook meestal niet in de late herfst, winter of vroege lente oorlog gevoerd worden. De paarden konden in deze tijd simpelweg niet gevoed worden. De opslag van veevoer in logistieke magazijnen bood slechts gedeeltelijk respijt. De verplaatsing van het veevoer van de magazijnen naar de operationele legerkampen bleef immers een logistieke operatie van grote omvang, waardoor de operationele flexibiliteit beperkt bleef. De planning voor veldtochten werd dan ook voor een belangrijk gedeelte bepaald door de hoeveelheid beschikbare veevoer wat vooraf beschikbaar was en meegenomen kon worden en door de hoeveelheid die ter plaatse kon worden gekocht of geconfisqueerd. En dit werd weer bepaald door de hoeveelheid boeren die in een gebied woonden en door het groeiseizoen.




